2019/08/18

18 augustus 2019, Protestantse gemeente IJsselstein, Ruth 2 en 3

Inleiding
Om het boek Ruth te kunnen begrijpen, is het nodig om iets te weten van de sociale wetgeving in die tijd. Er zijn een paar wetten uit de Thora waarop Noömi en Ruth een beroep doen.

  1. De eerste is de regel dat boeren dat boeren hun land niet helemaal kaal mogen maaien. Ze moeten de randen laten staan en dat wat bij het maaien blijft liggen, moeten ze láten liggen, voor de arme en de vreemdeling. (Lev. 23: 22; Deut. 24: 19-22)
  2. Ten tweede was er het zogenaamde losserschap: als een arme noodgedwongen zijn land moest verkopen, dan kon een naaste verwante als losser voor hem optreden. Deze losser kocht dan het land voor hem terug. (Lev. 25: 25)
  3. En ten derde was er het zwagerhuwelijk: wanneer een man kinderloos stierf, dan moest zijn broer trouwen met de weduwe. De kinderen die uit dit huwelijk geboren zouden worden, zouden gelden als kinderen van de overledene. Dat klinkt in onze oren misschien vreemd, maar geen kinderen krijgen was in die tijd het ergste dat je overkomen kon. Men geloofde namelijk dat men voortleefde in zijn kinderen. En in en door zijn kinderen heeft de overledene deel aan Gods toekomst. Dus als er géén kinderen zijn, dan is de overledene écht dood en van het leven en van God afgesneden. (Deut. 25: 5-6)

Deze drie wetten – over het aren lezen door de armen, het losserschap en het zwagerhuwelijk – spelen een belangrijke rol in het verhaal dat we nu gaan horen.
Vorige week hoorden we hoe Noömi terugkeerde vanuit Moab naar haar thuisland, zonder haar man en zonen – die zijn overleden – en met één van haar schoondochters, de Moabitische Ruth. Vandaag horen we hoe het verder gaat.

Overweging
Nelson Mandela heeft ooit gezegd:
“Ik leerde dat moed niet de afwezigheid is van angst, maar het overwinnen ervan.
De dappere man is niet hij die niet bang is, maar hij die die angst overwint.”
Ik moest daaraan denken bij het lezen van het boek Ruth. Want Ruth is een bijzonder moedige vrouw. En wat zal ze bang geweest zijn op sommige momenten!

Bijvoorbeeld toen ze ervoor koos om met Noömi mee te gaan. Om al het vertrouwde – haar thuisland, haar familie, haar volk – achter zich te laten en een volstrekt nieuwe, onbekende toekomst tegemoet te gaan. Dat was een moedige keuze.

En als ze aren gaat lezen op het land, zal ze opnieuw bang geweest zijn. De Thora vertelt ons weliswaar dat boeren aren moeten laten liggen voor de arme en de vreemdeling. Maar dat maakt het nog niet makkelijk om van deze wet gebruik te maken!
Het vergt moed om naar een ander toe te gaan en te zeggen: ik kan het niet alleen.
Het vergt moed om afhankelijk te durven zijn, om hulp te accepteren.
Dat is geen makkelijke stap.
Misschien heeft u wel eens gehoord van de Broodpater in Tilburg: een man die ’s nachts vele kilometers fietst om brood te brengen bij mensen die zelf geen brood kunnen kopen. Hij doet dat niet ’s nachts omdat hij zo van nachtelijke fietstochten houdt. Nee, hij doet dat ’s nachts, zodat niemand het ziet. Want de mensen schamen zich voor hun armoede.
Herken je iets van deze ervaring, misschien niet in een situatie van armoede, maar wel van de ervaring dat het moeilijk kan zijn om om hulp te vragen? Dat er moed voor nodig is om te zeggen: ik kan het niet alleen, wil je me helpen?

Ruth doet het, ze overwint haar angst en gaat naar één van de boeren in de omgeving. En daar wordt ze niet alleen geduld, toegelaten… nee, ze wordt door Boaz met open armen ontvangen! Hij behandelt haar als een bijzondere gast, hij zorgt dat ze niks tekort komt en eet zelfs met haar.
Soms kan een relatie tussen hulpvrager en hulpgever scheefgroeien. Als de hulpgever zich beter voelt dan de ander, als de rijke op de arme neerkijkt of hem zijn eigen armoede verwijt… Het gebeurt maar al te vaak bij liefdadigheid dat de gever zich verheft boven de ontvanger. En dat is zo mooi aan Boaz: Hij laat Ruth – terwijl ze niet alleen arm is, maar ook nog eens een Moabitische! – in haar waarde, of sterker nog: hij hergeeft haar haar waarde. Hij kijkt niet op haar neer, doet niet laatdunkend over een arm meisje dat aren komt lezen. Nee, hij prijst haar juist om wat ze gedaan heeft en praat als een gelijkwaardige met haar. Bovendien geeft hij haar die efa gerst niet cadeau, hij laat haar niet haar hand ophouden, maar laat haar er zelf voor werken.
Hij zet haar rechtop, geeft haar weer vertrouwen, zodat ze verder kan.
En hij zegent haar, met de woorden: “Moge de HEER je rijkelijk belonen – de HEER, de God van Israël, onder wiens vleugels je een toevlucht hebt gezocht.”
Onthou die woorden even: “De HEER onder wiens vleugels je een toevlucht hebt gezocht!”
Straks zul je zien waarom dit belangrijk is.

Als Noömi hoort hoe het Ruth vergaan is op het land bij Boaz, denkt ze:
Als Boaz…
Ja, stel je voor!
Als Boaz en Ruth…. ja ja!
Als Boaz nou eens met Ruth zou trouwen…. dat zou geweldig zijn!
Hij is namelijk familie van ons, en als er dan kinderen geboren worden, dan zijn dat kinderen van Elimelech en onze zonen. Dan is er tóch nog toekomst voor hen, voor ons.

Maar die Boaz, die schiet niet op… Hij is weliswaar uitermate vriendelijk en gastvrij voor Ruth, maar maakt nog geen avances. Het gaat Noömi niet snel genoeg en ze maakt daarom een plan. Ruth moet zich mooi maken en ’s nachts bij zijn voeteneind gaan liggen. En dan zal hij wel zeggen wat je moet doen, zegt Noömi tegen Ruth.
Poeh! Als Ruth het al spannend vond om aren te gaan lezen, dan gaat ze nu bevend en met een bonzend hart terug naar het land. Want hoe zal hij reageren? Waar begint ze in hemelsnaam aan?
Toch gaat ze. Wéér verzamelt ze moed en overwint ze haar angst. En hoe! Zodra Boaz wakker wordt, komt ze ter zake. Ze zegt: “Spreid uw vleugel uit over uw dienares, want u bent de losser!” (de NBV neemt hier helaas teveel afstand van de Hebreeuwse tekst en vertaalt dit anders)
Waar hadden we dat eerder gehoord, over die vleugels? Had Boaz zelf niet tegen Ruth gesproken over “de Heer onder wiens vleugels je een toevlucht hebt gezocht”? En nu zoekt Ruth haar toevlucht onder de vleugels van Boaz. Alsof ze zeggen wil: je kunt wel mooie woorden over God spreken, maar als je ze niet zelf waarmaakt, wat zijn ze dan waard? Je woorden over God moeten weerklank vinden in hoe je leeft, in wat je doet en laat. Dus mooi, die vleugels van de Heer, maar neem jij mij dan onder joúw vleugels!
Geen vroom gepraat, maar actie vraagt Ruth. Precies wat de briefschrijver Jakobus eeuwen later zal zeggen, namelijk:
“Broeders en zusters,
wat heeft het voor zin als iemand zegt te geloven, maar hij handelt er niet naar? (…)
Als een broeder of zuster nauwelijks kleren heeft en elke dag eten tekortkomt, en een van u zegt dan: ‘Het ga je goed! Kleed je warm en eet smakelijk!’, zonder de ander te voorzien van de eerst levensbehoeften – wat heeft dat voor zin?
Zo is het ook met geloof: als het zich niet in daden bewijst, is het dood.”

Net als Jakobus vraagt ook Ruth naar de daden bij de woorden, naar de praktische uitwerking van geloof. En ze vertelt er meteen bij hoe die daden eruit zouden kunnen zien:
U bent de losser. U kunt mij en Noömi verlossen uit de armoede en uit de kinderloosheid.
Zo! Ruth is duidelijk over waar ze voor gekomen is.
En duidelijk zijn, dat is moedig. Het is soms makkelijker om eromheen te draaien, om te zwijgen, om niet te zeggen wat we op het hart hebben. Bijv. wat we willen, of denken. Of onze kritiek of feedback op de ander. Soms zeggen we iets niét, omdat we bang zijn voor de reactie of de afkeuring van de ander.
Ruth zal ook bang geweest zijn, want ze heeft geen enkele garantie dat Boaz goed zal reageren. Hij was weliswaar goed voor haar geweest, maar deze actie van Ruth gaat wel heel ver.

Maar weer verrast Boaz ons. Net als eerder op het land praat hij ook nu met haar als een naaste, een gelijkwaardige. Hij ziet haar niet als iemand die zijn hulp nodig heeft, nee hij draait het om en zegt dat zij hém een gunst verleent door niet met jongere mannen om te gaan! Zo haalt hij haar uit de positie van afhankelijke en hulpbehoevende en maakt hij haar weer heel, zet hij haar rechtop.

Wat een moed heeft Ruth getoond, door mee te gaan met Noömi naar een totaal vreemd en onbekend land, door aren te gaan lezen en daarmee afhankelijk te worden van anderen,
door Boaz zó duidelijk en vrijmoedig op zijn verantwoordelijkheid te wijzen.
Ruth zal ongetwijfeld bang geweest zijn. Maar ze heeft zich door die angst niet laten leiden. Ze heeft gekozen voor een kracht in haar die stérker is dan haar angst. Haar moed, haar vertrouwen, haar verlangen, haar dromen.

Hoe is dat bij ons?
Durven wij onszelf te laten zien en daarmee kwetsbaar te zijn, ook al zouden we gekwetst kunnen worden?
Durven wij om hulp te vragen, ook al zouden we afgewezen of vernederd kunnen worden?
Durven wij op weg te gaan, ook al weten we niet hoe die weg zal gaan en is elke volgende stap onzeker?

Ik hoop dat we de moed vinden, net als Ruth, om te leven voorbij onze angst. Omdat het ons zoveel moois kan brengen. Hoeveel moois het ons brengen kan, zien we in de schildering die Chagall van Ruth en Boaz maakte. Ze lijken te dansen, misschien is het een paringsdans, een verleidingsdans. Of misschien is het een vreugdedans, omdat er eindelijk weer toekomst gloort, omdat er weer hoop is na donkere, bange tijden.
En die rode cirkel, wat zou het zijn? De oogst, een hooibaal waar de zon op schijnt? Misschien, al doet het mij ook denken aan de steen die weggerold is op Paasmorgen. Tegen de donkere, zwarte achtergrond van armoede en uitzichtloosheid wordt het Pasen. De steen is weggerold, door Ruth en Boaz samen, en nu is er nieuwe hoop, nieuwe toekomst! Ze dansen erbij van vreugde.

Ruth is niet alleen een Pinksterverhaal (het verhaal wordt altijd gelezen op het joodse Pinksterfeest), maar het is ook een Paasverhaal, over hoop na wanhoop, over licht in het donker, over leven voor de levenden en doden, over een vreugdedans omdat er toekomst is!
Dat is wat moed ons kan brengen:
als wij moedig onze weg durven gaan, dan gloort er licht en leven aan de horizon.