2019/08/11

11 augustus 2019, Protestantse gemeente IJsselstein, Ruth 1

Noömi
Noömi… haar naam betekent lieflijk. Maar haar leven is verre van lieflijk. Het is wrang en triest: Eerst moet ze met haar gezin vluchten voor de honger. Vervolgens sterft haar echtgenoot. Daarna verliest ze ook nog haar twee zonen. En ze moet afscheid nemen van één van haar schoondochters. Noömi’s verhaal is een verhaal vol verlies, veel en pijnlijk verlies.
Het verhaal gaat natuurlijk over deze vrouw, Noömi, maar het gaat ook over alle mensen, toen en nu, die verliezen wie of wat hun dierbaar is. En over de vraag: hoe gaan we daarmee om? Hoe kun je nog verder, als alle toekomst donker en wankel is?

Noömi verandert haar naam. Daarmee zegt ze: ik ben niet meer de oude, ik ben niet meer wie ik ooit was. “Noem mij niet langer Noömi; noem mij Mara, want de Ontzagwekkende heeft mijn lot zeer bitter gemaakt.” Dat is nogal wat: om je naam te veranderen en jezelf ‘Bitter’ te noemen. Voortaan heet ik Bitter.

Ik vind het moedig van Noömi: dat ze haar verlies in de ogen kijkt, dat ze alle bitterheid in haar leven erkent. Ze stopt het niet weg, ze veegt het niet onder het tapijt, ze bagatelliseert het niet, zo van: ‘ach, het valt wel mee, we moeten toch verder, ik wil niet klagen, het komt wel goed…’. Nee, het is bitter en zwaar, en door zichzelf Mara te noemen erkent ze dat, omarmt ze haar lot.
Bovendien houdt ze haar bittere lot niet voor zichzelf, ze deelt het met de vrouwen, met de gemeenschap: ik ben voortaan Mara. Met andere woorden: ze doet zich niet beter of vrolijker voor dan ze is, ze zet geen masker op. Nee, ze is verdrietig, boos, teleurgesteld, verbitterd. En dat laat ze zien. Noem mij Mara.

Die moed en eerlijkheid bewonder ik. Ik denk dat het de enige weg is om uiteindelijk met rouw om te gaan: het verlies in de ogen kijken, de gigantische pijn van het verlies dóórmaken. Erdoorheen gaan. Niet wegduwen of kleiner maken, maar erkennen én delen met andere mensen hoe zwaar het is. Alle maskers af, wees maar eerlijk, durf het maar te zeggen en te tonen hoe bitter het soms kan zijn.

Anderzijds laat haar naamswijziging haar wanhoop zien, haar hopeloosheid. Want als je jezelf voortaan Bitter noemt, dan heb je weinig hoop dat het nog beter worden zal. Noömi lijkt zich neer te leggen bij die bitterheid. Haar lot is bitter, maar ook zelf raakt zij verbitterd door alle verlies dat ze heeft moeten doorstaan. Ze ziet geen toekomst, geen lichtpuntje meer.

Dat blijkt wel uit haar woorden: “Toen ik hier wegging had ik alles, maar de HEER heeft mij met lege handen laten terugkomen.” Lege handen?? Ze keert toch niet alleen terug? Wie heeft er net nog tegen haar gezegd “Waar jij gaat zal ik gaan”? Ze is blijkbaar zo verbitterd dat ze haar schoondochter niet ziet staan. Haar reisgenoot, haar maatje, degene die straks zal zorgen dat hun leven weer beter wordt. Zo verbitterd kan een mens zijn, dat hij niet meer ziet wat er nog wél is aan goeds en liefelijks.

En dat bittere lot… dat verwijt ze God. Want, zegt ze, het is God die mij met lege handen heeft doen terugkeren. Het is God die zich tegen mij heeft gekeerd, die mij kwaad heeft gedaan.
Ik weet natuurlijk niet wat voor Godsbeeld Noömi precies had, maar ze lijkt te geloven dat God almachtig is en dat alles wat er gebeurt, elk lot, door God beschikt is. Het is de God waarmee sommigen van u misschien wel zijn groot geworden: de God van de Heidelbergse Catechismus, die deze wereld “zo regeert, dat loof en gras, regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, eten en drinken, gezondheid en ziekte, rijkdom en armoede, ja alle dingen ons niet bij toeval, maar uit zijn vaderlijke hand toekomen.” (zondag 10)
Voor sommigen is dit geloof een grote troost, anderen worstelen met deze God, en velen zeggen hem vaarwel, omdat ze met zo’n God niet kunnen leven.
Ik behoor tot die laatste categorie: ik kan en wil niet geloven in zo’n God. En omdat ik zie dat Noömi worstelt, zou ik haar willen vragen:
denk je écht, Noömi, dat God je dit aandoet?
Dat hij de dood van je man en je zonen gewild heeft? En jouw tranen en jouw pijn?
Weet je wat ik denk? Dat je de woorden lot en God verwart. Ze lijken een beetje op elkaar.
Maar vergis je niet, ze zijn niet hetzelfde! God is niet hetzelfde als het lot.
Het lot is soms bitter en zwaar. Het leven is soms pijnlijk en intens verdrietig.
En God… God is niet de grote regisseur van jouw lot.
Ik denk eerder dat God dáár is waar je lot eventjes verlicht wordt.
In de troost van een naaste.
In de mens die naast je loopt en zegt: ik ga met je mee.
In de vrouwen die zwijgend naar je luisteren, dag in dag uit.
Zou God niet dáár zijn?

En in jouw leven, in uw leven… waar ontdek jij sporen van God?
Waar of wanneer zag jij Gods aanwezigheid oplichten op jouw pad?

Ruth en Orpa
Ruth en Orpa, twee schoonzusjes.
Hun namen zijn veelzeggend:
Ruth betekent vriend, metgezel, zij die trouw is.
En Orpa betekent: zij die zich afwendt, zij die de nek toekeert.
Zo heeft de schrijver het frame onmiddellijk ingekleurd met zwart/wit tinten:
Ruth is trouw, zij maakt de goede keuze. Orpa wendt zich af, dat is verkeerd.

Natuurlijk snap ik dat de schrijver in een paar bladzijden een verhaal wil vertellen en geen tijd en ruimte heeft om elk personage uitgebreid in te kleuren. In een verhaal of in een film of roman komen soms karikaturen voor, eenvoudige personages met maar één of twee eigenschappen. Orpa is zo’n karikatuur: het enige dat we van haar weten is dat ze besluit om terug te keren naar haar eigen land en haar schoonmoeder vaarwel kust.
Orpa – zij die de nek toekeert – noemt de schrijver haar.
Ik zou willen pleiten voor eerherstel voor Orpa.
Want wat doet ze eigenlijk fout?
Haar schoonmoeder dringt er lang op aan dat Orpa en Ruth terugkeren naar hun land. En uiteindelijk doet Orpa dat. Verder weten we niets over haar.
Heeft ze nog familie waar ze naartoe kan?
Wie zorgt er voor haar, nu ze helemaal alleen is?
Hoe voelt ze zich, nadat ze haar schoonmoeder en schoonzus vaarwel heeft gezegd?Misschien is Orpa wel teruggegaan naar haar ouders om voor hen te zorgen.
Misschien heeft zij, op welke manier dan ook, haar talenten wel ingezet in haar eigen land.
Misschien heeft zij, net als Ruth, opnieuw de liefde gevonden, kinderen gekregen.
Of misschien bleef ze eenzaam achter, met spijt over de keuze die ze maakte, met blijvend gemis van haar schoonzus en schoonmoeder…
We weten het niet.
Maar om te zeggen dat haar keuze de verkeerde was, dat ze de nek toekeerde… daar worstel ik mee, dat vind ik niet fair. Het is zo’n snel en makkelijk oordeel.
En ik weet wel dat het vaak zo gaat, ook bij ons:
dat we een verhaal vertellen over andere mensen en daarin te snel een oordeel vellen.
Dat we in onze woorden, in onze verhalen de ander geen recht doen.
We gaan soms te kort door de bocht, en denken of praten soms in zwart/wit. Terwijl de werkelijkheid, van Orpa en van íeder mens, veel kleurrijker is dan dat.

Laten we tot slot naar Ruth kijken.
Zij kiest ervoor om met Noömi mee te gaan en spreekt dan die beroemde woorden:
Waar u gaat, zal ik gaan, waar u slaapt, zal ik slapen;
uw volk is mijn volk en uw God is mijn God.
Waar u sterft, zal ook ik sterven, en daar zal ik begraven worden.
Ze zegt het tegen Noömi die alles verloren heeft: haar man, haar kinderen, haar thuisland en haar toekomst. Ze staat met lege handen.
En dan is er een metgezel, een vriend, een trouwe reisgenoot die zegt: waar jij gaat, ga ik; waar jij slaapt, slaap ik; waar jij sterft, sterf ik. Ik ga met je mee en ik wijk niet van je zijde.

Ik zou er nog van alles over kunnen en willen zeggen, maar … is er iets mooiers en belangrijkers in het leven dan dit? Dat de ene mens tegen de andere zegt: waar jij gaat zal ik gaan?
Een vriend zegt het tegen zijn vriend, geliefden zeggen het tegen elkaar, een mantelzorger zegt het tegen degene die zorg nodig heeft, een arts zegt het tegen zijn patiënt, een leerkracht tegen haar leerling. Niet letterlijk misschien, maar zij doen wat Ruth deed: nabij zijn, trouw zijn, een stukje met iemand meelopen, zodat die ander weer verder kan.

Als ik denk aan de belangrijkste momenten en de belangrijkste mensen in mijn leven, dan ging het steeds hierover:
Mensen die er voor mij zijn als ik hen nodig heb.
Mensen die zich met mij verbinden, voor korte of langere tijd, zodat ik niet alleen ben.
Mensen die, net als Ruth, de naam van God waarmaken: IK ZAL ER ZIJN.

In welke mensen heb jij een metgezel, een trouwe reisgenoot als Ruth gevonden?
Welke mensen waren er voor jou toen je hen nodig had, misschien wel in Godsnaam?
En omgekeerd: voor wie kon of kun jijzelf een metgezel zijn, een reisgenoot die een stukje meeloopt en de ander weer op weg helpt?

(Zie ook deze tekst over Orpa, geschreven n.a.v. deze viering)