2019/06/30

30 juni 2019, Openluchtviering Speeltuin Kloosterplantsoen, Protestantse gemeente IJsselstein, lezing: Mattheüs 15: 21-28, thema: Kom mee naar buiten allemaal!

Inleiding op de lezing
Een paar woorden over wat aan ons verhaal van vanmorgen vooraf gaat (Mt. 15: 1-20):
In het jodendom was en is het onderscheid tussen rein en onrein heel belangrijk. Alleen wie rein was, kon in de tempel komen, kon God naderen en in contact komen met God.
Om te bepalen wie rein of onrein was, waren er heel veel regels. De Farizeeën hielden zich heel strikt aan al die regels. Jezus bekritiseert hen, omdat ze deze voorschriften té belangrijk maken. Het gaat, zegt hij, niet om al die tradities en voorschriften van jullie! Het gaat om het gebod van God. Het gebod van God: dat is volgens Jezus de liefde. Dié moet voorop staan, dát is waar het uiteindelijk allemaal om gaat. En al die andere regels – bijv. wat je wel en niet eet, of je je handen wel wast, etc. – zijn daaraan ondergeschikt, of staan ten dienste daarvan.
Hierin was Jezus radicaal: hij relativeerde de vele reinheidsgeboden, en hij legt het criterium voor rein of onrein binnen in onszelf, in ons hart.
In het verhaal dat we gaan lezen gaat het over een buitenlandse vrouw met een bezeten dochter. Beiden zouden volgens de reinheidsvoorschriften onrein zijn. Maar als we horen wat Jezus net gezegd heeft over reinheid, mogen we verwachten dat dat voor hem anders is, dat hij hen anders – positiever – bejegent.

Overweging
Jezus, Jezus… wat doe je nou?
Altijd sta je voor iedereen klaar, altijd is iedereen welkom bij jou. Of iemand nou een hoge status heeft, of juist door iedereen met de nek wordt aangekeken, of iemand nou netjes volgens alle regels leeft of alles aan z’n laars lapt, of iemand nou rijk of arm is, succes heeft of helemaal niet… altijd respecteer jij ieder mens. Jij ziet iédereen als waardevol. En dat laat je mensen ook voelen: dat ze ertoe doen, dat ze gezien worden, dat ze meetellen. Dat is misschien wel waarom we jou zo hoog hebben zitten, waarom we jou willen volgen.

Maar nu… wat doe je nu?? Waarom zo lelijk, zo bot tegen deze vrouw? Je negeert haar gewoon! Was je moe, doodmoe misschien van al die mensen, van al die gesprekken, van al die wetgeleerden en schriftgeleerden die met je in discussie willen? Was je daarom geïrriteerd door het geroep van deze vrouw? Was het gewoon even op, alle energie weg?

Nee hè, dat was het niet… het was iets anders. Je maakt het nóg bonter.
“Ik ben alleen gezonden naar de verloren schapen van Israël.”
Zeg je nou dat je iets tegen buitenlanders hebt? Eigen volk eerst?
Meen je dat echt, dat je alleen voor je eigen mensen er wilt zijn? Ben jij nou aan het discrimineren? Jij leerde ons toch altijd dat ieder mens even waardevol is? Dat íeder mens geliefd is, ertoe doet? Hoe kún je haar dan een hond noemen??
“Het is niet goed om de kinderen hun brood af te nemen en het aan de honden te voeren.”
Een erger scheldwoord is er bijna niet! Ik kan bijna niet geloven dat jij dit zegt. Hond… het is ronduit beledigend en vernederend. Je valt van je voetstuk, Jezus.

Of…… moet ik het anders zien? En blijk je hier een mens te zijn zoals wij allemaal.
Een mens die zich kan vergissen, een mens die doodmoe kan zijn en een kort lontje kan hebben, een mens die de mist in kan gaan en gelukkig, godzijdank, ook weer uit de mist tevoorschijn kan komen.
Want dankzij die vrouw, dankzij die hond van een vrouw, kom jij tot inzicht!
Haar antwoord moet jou sprakeloos hebben gemaakt. Het is geniaal.
Ze wordt niet boos, ze gaat niet terugschelden, ze barst niet in huilen uit, ze gaat niet bij de pakken neerzitten. Nee, ze accepteert haar tweede-, of misschien beter gezegd haar tienderangs positie als hondje. Inderdaad, zegt ze, máár… honden eten toch de kruimels op die van de tafels van hun meester vallen? Mag ik dan alsjeblieft een kruimeltje?

Tegen zoveel doorzettingsvermogen, creativiteit en geloof kun je niet op. En opeens lijk je het te beseffen: hoe je ernaast zat. Hoe deze buitenlandse, heidense vrouw er óók bij hoort. Hoe zij op bewonderenswaardige wijze vertrouwen had in jou, al was je een hork op dat moment. Hoe zíj, deze buitenstaander, deze hond, jou iets laat zien van God.
Uiteindelijk heb je haar geholpen. Uiteindelijk heb je geluisterd naar haar roep om hulp en ontferming. Haar dochter genas. Maar jíj genas ook. Jíj genas van een benauwde, kortzichtige kijk op God. Alsof God zich zou beperken tot zijn eigen volk! Alsof God zou zeggen: jij hoort er wel bij en jij niet. Kom nou! Deze vrouw heeft jou genezen, heeft jou bekeerd. Jij hielp haar, maar zij hielp jou minstens zoveel. Godzijdank!

Zo ongeveer ging het gesprek dat ik voerde in mijn hoofd met Jezus.
Maar nu genoeg over Jezus… want dit verhaal gaat niet alleen over hem, het gaat ook over ons. Ik kan wel met de vinger wijzen naar Jezus – Jezus, wat doe je nou?! – maar die vraag komt als een boemerang bij mezelf terug: Irene, wat doe je nou?!
Want sta ik altijd open voor de mensen die mijn pad kruisen?
Respecteer ik ieder mens, ongeacht opvattingen, afkomst, uiterlijk, religie?
Of trekken wij allemaal soms grenzen tussen binnen en buiten?
En zeggen wij, misschien vaak impliciet of zelfs onbewust: die hoort er wel bij en die niet?

In onze maatschappij is het makkelijker om mee te doen als je hier geboren bent en een witte huidskleur hebt, dan wanneer je wieg elders stond of je kleur donkerder is. Dat is helaas de werkelijkheid die we samen gecreëerd hebben.
Op school is het misschien makkelijker als je er leuk uitziet en een beetje mee kunt komen qua cijfers, dan wanneer je geen geld hebt voor nieuwe kleren of om welke reden dan ook steeds onvoldoendes haalt.
Op het werk zit je goed als je sociaal bent, een vlotte babbel hebt, interesse in je collega’s, leuke verhalen te vertellen. Maar wat als je die kwaliteiten niet hebt? Omdat je ontzettend onzeker of verlegen bent, omdat je niet goed weet hoe je je in het sociale verkeer moet gedragen, omdat je een vorm van autisme hebt, depressief bent of om andere redenen niet altijd die sociale collega bent?

Er lopen allerlei grenzen door onze wereld. Onzichtbare grenzen die bepalen wie binnen is en wie buiten, wie erbij hoort en wie niet. Ook Jezus had zulke grenzen, en dat schokt ons, het schokt mij in elk geval. Maar het maakt hem ook menselijk. Dichtbij. Geen halfgod op een voetstuk, maar een mens van vlees en bloed zoals jij en ik.
Bovendien laat het verhaal ons zien dat er beweging mogelijk is, bekering. Dat het brood van Jezus, de liefde van God, het evangelie uiteindelijk voor iedereen is. Voor iedereen! Dat is radicaal want het betekent:
Ook voor Zacheüs de tollenaar die anderen afperste.
Ook voor de vrouw die op heterdaad betrapt werd op overspel.
Ook voor Petrus die altijd hoog van de toren blaast, maar als puntje bij paaltje komt, is hij een schijterd.
Ook voor de melaatsen die door iedereen gemeden werden.
Ook voor de kinderen die volgens de volwassenen nog niet meetelden.
Ook voor de moordenaar die naast Jezus gekruisigd wordt.
En ook voor deze buitenlandse heidense vrouw en haar zieke, bezeten dochter.
Het is radicaal, omdat alle scheidslijnen en grenzen worden uitgewist!
Het Koninkrijk van God is voor ieder mens. Rein en onrein is geen criterium meer, geen lat om onszelf of elkaar de maat te nemen, geen voorwaarde om het brood van Jezus te mogen ontvangen. Wel is het een opdracht, een uitnodiging: om rein te leven. Niet volgens die honderden regeltjes, maar volgens dat ene gebod van God: heb lief.

Heb lief… ook, of misschien wel júist de mens die anders is dan jij. De mens met wie jij je niet meteen een klik hebt. Degene met wie je op het eerste gezicht weinig gemeen hebt. Als je openstaat voor hem, als je de ander echt wilt ontmoeten, als je kunt leven met open ogen en een open hart, dan kunnen er prachtige dingen gebeuren.
Dat zagen we in het verhaal over Jezus – al kostte het daar wat tijd en moeite – en ik wil afsluiten met een kort verhaal waarin dat ook duidelijk wordt.

Er was eens een man…
En die man had net een nieuwe buurman gekregen: een Syrische vluchteling. Op een ochtend komen de twee buurmannen elkaar tegen. De man heeft zijn fiets gepakt en heeft een drukke werkdag voor de boeg. Gehaast wil hij op zijn fiets springen, als de nieuwe buurman opduikt: ‘Heeft u tijd voor een kopje thee bij ons thuis?’ vraagt hij. ‘Mijn vrouw heeft net thee gezet.’ De man weigert, want hij heeft het veel te druk, er wachten stapels werk op hem. Hij fietst gauw weg.
Als hij de hoek om is, bedenkt hij zich. Hij keert om, belt aan bij zijn nieuwe buurman en zegt: ‘Sorry, ik was gehaast. En ik was er met m’n hoofd niet bij. Maar natuurlijk kom ik graag bij jullie op de thee.’ Zo hebben ze heerlijk thee gedronken en is de man rustig zijn dag begonnen. Het was een geschenk! (bron: https://www.mijnkerk.nl/blog/mis-het-mooiste-niet)

Om naar buiten te gaan is openheid nodig. Open ogen, open oren, een open hart. Én we hebben vertrouwen nodig. Wees niet bang voor het nieuwe en onbekende, voor wat vreemd is of anders gaat dan je gewend bent.
Ga maar op weg in goed vertrouwen, à la bonne foi, op de bonnefooi.