2019/03/10

10 maart 2019, 1e zondag 40dagentijd – Protestantse gemeente IJsselstein – lezing: Lucas 4: 1-13

Toen wij afgelopen maandag met een groep dit verhaal lazen en ik vroeg: ‘welke vraag roept dit verhaal bij je op?’, was er een snelle reactie van één van de deelnemers. Wie of wat is de duivel?

Misschien zie je bij het woord duivel meteen zo’n angstaanjagend, listig wezentje voor je, rood en boos en met hoorntjes op z’n hoofd.

Of misschien kun je je vinden in wat we Stef Bos net hoorden zingen: (https://www.youtube.com/watch?v=eyVymEy1b7Y)
Misschien ben jij een deel van mij,
zoals het donker en het licht
niet van elkaar te scheiden zijn
en zoek ik naar een evenwicht.
De duivel, niet als een wezen dat ronddoolt in deze wereld en probeert ons tot kwaad te verleiden, maar de duivel als de donkere kanten in onszelf, een deel van mij…

Of zou misschien het Grieks ons vandaag kunnen helpen? Het Griekse woord voor duivel dat Lucas gebruikt is ‘diabolos’. Dat betekent letterlijk: uiteenwerper. De duivel als splijtzwam. Degene die wat samen is uiteendrijft. Als ik kijk naar het verhaal, dan is dat volgens mij preciés wat de duivel probeert: hij wil een wig drijven tussen Jezus en God, tussen Vader en Zoon.

Vlak vóór dit verhaal – in Lucas 3 – werd Jezus gedoopt. En na die doop klonk er een stem uit de hemel: “Jij bent mijn geliefde Zoon.”In januari lazen we dat verhaal, en toen zei ik: ik geloof dat God dat tegen ieder van ons zegt: Jij bent mijn geliefde zoon, jij bent mijn geliefde dochter. God gelooft in ons en wil met ons op weg gaan, het leven door.

Dat klinkt heel mooi, maar nú, in het dagelijkse leven dat soms net een dorre, droge woestijn is, moet blijken wat die woorden waard zijn. Wat betekent het om zoon, om dochter van God te zijn? Hoe doe je dat, leven met God? Hoe doet Jezus dat? Laten we daarnaar eens kijken.

De duivel komt bij hem en zegt: “Als jij de Zoon van God bent…” Als! Als jij de zoon van God bent… daar begint hij al met zijn duivelse, splijtende werk. Jezus heeft het net gehoord van God: jij bent mijn geliefde Zoon. En nu begint de duivel al twijfel te zaaien… Ja, dat kun jij wel denken of zeggen, maar is het wel zo? Ben jij echt Gods geliefde kind?

Volgens mij is die twijfel ons ook niet vreemd. We zijn geliefde mensen, we mogen er zijn zoals we zijn, er is een grond van onvoorwaardelijke liefde onder onze voeten. We horen het maar al te vaak, in elk geval hier in de kerk. En tóch twijfelen we af en toe aan onszelf. Mag ik er wel zijn? Moet ik niet beter zijn, sterker, mooier, slimmer, geloviger…? En als ik uitval, slecht presteer, ziek of oud word, als ik geen succes heb en niet slaag, als ik fouten maak of mensen teleurstel… tel ik dan nog wel mee? Ben ik dan nog wel geliefd? Het is een duivels stemmetje dat een wig drijft tussen God en mens. Een stemmetje dat die woorden van de doop, ook van ónze doop – jij bent mijn geliefde kind – steeds weer ter discussie stelt.  

“Als jij de Zoon van God bent, beveel die steen dan in een brood te veranderen.” Jezus had 40 dagen niet gegeten. Áls je dat al kunt overleven in de woestijn, dan moet je er wel heel belabberd en beroerd aan toe zijn… Hoe graag zal hij dat niet gedaan hebben, die stenen in brood veranderen! En toch doet hij het niet. Hij zegt: “De mens leeft niet van brood alleen.”

“De mens leeft niet van brood alleen, maar van alles van de mond van de Heer voortbrengt” is de volledige zin uit Deuteronomium. Jezus relativeert hier het brood, het voedsel voor ons lichaam, het materiële. En hij benadrukt het belang van dat andere voedsel, geestelijk voedsel, woord van God.

En zo stelt deze eerste beproeving ons de vraag: Waar leef ik van? Wat heb ik nodig om te leven? Is dat alleen eten, een huis, kleding? Een fiets of auto, een tv en telefoon, en noem maar op… Of is er meer dat ons voedt en doet leven? Woorden van God… stilte, gebed, meditatie, bijbellezen, kerkdiensten, gesprekken, zingen, lezen… je kunt het op talloze manieren vinden. Hoe je dat doet, is persoonlijk. Maar dát een mens meer nodig heeft dan brood en materiële zaken om te leven – in elk geval als je wilt leven met God! – dat maakt Jezus hier duidelijk.

Dan geeft de duivel Jezus een blik over de wereld en zegt: “Ik geef je de macht over dit alles en de roem, áls je in aanbidding voor mij neervalt…” Jezus gaat in zijn antwoord niet in op die macht. Net zomin als er iets mis is met brood, is er iets mis met macht. Macht is in zichzelf niet verkeerd. Het gaat erom hoe je macht verwerft, hoe je macht deelt, hoe je macht gebruikt… Maar Jezus gaat in op de duivelse vooraarde: áls je mij aanbidt… En hij zegt, opnieuw Deuteronomium citerend: “Aanbid de Heer, uw God, vereer alleen hem!”

Kortom: deze 2e beproeving gaat over de vraag: wie aanbid je? En nou zou je kunnen denken: dat is makkelijk, er is maar één God, dus die vereer ik. Maar niet voor niets wordt erop gehamerd in de Bijbel dat we alleen de Ene, de Eeuwige aanbidden en vereren. Want er zijn, toen en nu, wel degelijk andere goden. Ook in ons leven. De god van het geld, de god van het succes, de god van de perfectie, de god van de carrière, de god van de schone schijn, de god van de autonomie die zegt: ‘je kunt het allemaal wel alleen, je hebt niemand nodig’, en ga zo maar door… Er zijn zoveel machten en krachten die invloed op ons uitoefenen en voor wie soms door de knieën gaan. Jezus wil trouw zijn aan de Ene, de Eeuwige, alleen deze ene God wil hij dienen en aanbidden.

En dan komt de duivel een laatste keer: “Als jij de Zoon van God bent, spring dan naar beneden. dan komen Gods engelen je toch wel opvangen!” Voor het eerst citeert nu ook de duivel uit de Schriften. We hebben het zelf gezongen vanmorgen, Psalm 91: “God vertrouwt je toe aan zijn engelen,die over je waken, waar je ook gaat. Hun handen zullen je dragen.”

Heeft ie daarmee Jezus klem? Nee, want zo gaan we niet om met de Schrift. De duivel spant de Bijbel voor zijn karretje. En die neiging hebben wij ook wel eens. Om precies die teksten te kiezen of zó uit te leggen, dat ze mooi in ons straatje passen. Dat onze eigen opvattingen of keuzes onderschreven worden. En dan is er voor elke opvatting wel een bijbeltekst te vinden. Maar daarvoor is de Schrift niet bedoeld! Deze Psalm is een psalm van vertrouwen. Een diep vertrouwen op God. Durven we dat aan, te leven met deze God? Of willen we zekerheid, waterdichte antwoorden, bewijs? Jezus citeert voor de derde keer uit Deuteronomium: “Stel de Heer, je God, niet op de proef.”Deze laatste beproeving gaat over vertrouwen. Op wie vertrouw ik? Vertrouw ik op God, op zijn woorden? Durf ik me daaraan over te geven? Of wil ik alles onder controle houden, beheersen, bewijzen, beproeven?

Waar leef ik van?
Wie aanbid ik?

Op wie vertrouw ik?
Dat zijn vragen in ons leven waarbij het erop aankomt.
Blijven we verbonden met God, ook als er duivelse stemmetjes zijn die ons een andere weg wijzen?

Makkelijk is dat zeker niet! Jezus koos voor verbondenheid met God, en soms is dat de moeilijke weg. Dat blijkt niet alleen in het verhaal van vandaag, maar ook in zijn lijdensweg die we over een paar weken weer gedenken. Trouw blijven aan God, verbonden blijven met God kost soms moeite. Veel moeite.

Toch vertelt het evangelie ons dat het die moeite waard is: leven in verbondenheid met God… Leven met God is wat wij, met vallen en opstaan, proberen, en met elkaar oefenen hierin de kerk. Dit is een oefenplaats waar we soms onderuit gaan, elkaar weer overeind helpen en leren van elkaar. Leven met God begint met luisteren naar Gods woorden, naar Gods stem. Te beginnen met die eerste woorden die klonken en klinken bij de doop:
Jij bent mijn geliefde zoon, jij bent mijn geliefde dochter!