2019/02/10

10 februari 2019, Protestantse gemeente IJsselstein, Exodus 3: 1-15

Als ik aan Mozes denk, dan denk ik ongemerkt al gauw aan een groot man. Een groot leider. Een belangrijk figuur. Iemand die veel met God sprak. Eén van de belangrijkste personen uit het Oude Testament. Maar misschien heb ik ‘m daarmee teveel op een voetstuk geplaatst. Want in het verhaal van vandaag is Mozes nog helemaal geen groot leider of belangrijk figuur! Hij is een vluchteling. Een vluchteling met een strafblad nog wel. Mozes had een Egyptenaar doodgeslagen en werd daarna zelf met de dood bedreigd. Daarom besloot hij te vluchten. En uitgerekend met deze gevluchte moordenaar wil God in gesprek. Dat zou de IND in Nederland ook wel willen, maar dan om andere redenen!

God roept Mozes vanuit een brandende struik. Een doornstruik is het, en een doornstruik stelde weinig voor, het was in de rangorde van bomen en planten zo ongeveer het laagste wat er was. En juist daar, in die struik van niks, laat God van zich horen. Want in de Bijbel geldt: waar vuur is, is God. God kiest dus geen prachtige plataan of kastanje of welke mooie bomen er daar destijds ook maar waren. Nee, hij kiest een lelijke, pijnlijke doornstruik. Daar waar we het niet verwachten, dichtbij de grond, in het onaanzienlijke, daar laat God zich vinden. Bij een vluchteling met een strafblad.

En wat zegt God dan? Ik ben de God van je vader, de God van Abraham, de God van Izaäk en de God van Jakob. Ja, zo begint het eigenlijk altijd. Je hebt het van horen zeggen. Je ouders, je grootouders, je docenten of andere mensen hebben je iets verteld over God. En als je niet in een gelovig gezin bent opgegroeid, dan hoor je er misschien op latere leeftijd van via vrienden of collega’s, of via je partner. Het gaat dus éérst om de God van anderen. En de verhalen daarover, die kunnen je raken of indruk maken of aan het denken zetten. Of niet natuurlijk.

Maar die God van je voorvaders en voormoeders, die God van anderen, die God van horen zeggen… als die jou iets doet, als die jouw nieuwsgierigheid prikkelt of jouw verlangen wekt, dan zul je vroeg of laat vragen gaan stellen. Mozes weet het mooi te verpakken. Hij zegt, nadat God hem de opdracht heeft gegeven om zijn volk uit Egypte te leiden: ja maar… wat nou als ik dat tegen de Israëlieten zeg – de God van jullie voorouders heeft mij gestuurd – en wat nou als zij dan vragen: wie is die God dan? Wat is zijn naam? Kortom: Mozes legt de vraag in de mond van de Israëlieten, maar ik denk dat het gewoon zijn eigen vraag was. En dat hij niet de vrijmoedigheid had, niet het lef had om die vraag gewoon te stellen aan God. God, wie – of wat – bent u eigenlijk?

Het is volgens mij een heel begrijpelijke, eerlijke vraag. Een vraag waar we niet omheen kunnen. Als ik zeg: ‘ik geloof in God’, dan zeg ik daarmee nog heel weinig. Want wie is dan die God waarin ik geloof? Hetzelfde geldt voor de vraag of God bestaat. Ik vind dat eerlijk gezegd helemaal geen interessante vraag. Want over welke God hebben we het dan? Wat heb je in hemelsnaam bewezen als je bewijzen kunt dat God bestaat?

Er zijn zoveel goden, krachten die om onze aandacht strijden, machten waarvoor mensen door de knieën gaan. Niet voor niets zal Mozes ons later de Tien Geboden doorgeven, waarvan het eerste luidt: Vereer geen andere goden! Als er geen andere goden waren geweest, was dit gebod zinloos geweest. Maar andere goden waren er wel degelijk: de god van het geld, de god van de vruchtbaarheid, natuurgoden, goden die mensenoffers vragen, en ga zo maar door. En we kunnen ook wel bedenken welke goden ons vandaag de dag op de knieën krijgen en ons leven soms beheersen: de god van de prestatiezucht, de god van status en succes, van schoonheid en imago. De god van de ongebreidelde autonomie, van het grote genieten, van de likes op social media, de god van het eigen gelijk of van eigenbelang. Een god is een macht, een kracht aan wie we ons overgeven, op wie we volledig bouwen en vertrouwen. De vraag is daarom: op welke god vertrouwen we? In welke god geloven we? Er zijn er vele, maar volgens de Bijbel is er maar één die het predicaat ‘God’ verdient.

En dat is een God met een bijzondere naam: Ik ben die er zijn zal. Of: Ik zal er zijn zoals ik er zijn zal. In het Hebreeuws zijn het 4 medeklinkers, en uit respect en eerbied spreken de joden deze naam van God niet uit. In plaats daarvan zeggen ze iets anders, vaak adonai dat ‘heer’ betekent. En daarom vertalen veel bijbelvertalers de naam dan ook met HEER. Maar dat ís dus helemaal geen vertaling, het is een alternatief voor de onuitsprekelijke Naam. Hoe we die naam het beste kunnen vertalen, is een lastig vraagstuk, maar het is zeker dat het om een vorm van het werkwoord zijn gaat. En uit alles blijkt dat het deze God niet gaat om enkel zijn, maar om er zijn. Niet om bestaan, maar om betrokkenheid, verbondenheid. Deze God heet niet: Ik zal bestaan, of: Ik zal zijn zoals ik zal zijn. Nee, de Naam luidt: Ik zal er zijn. Dat zeg je in een relatie, dat zeg je vanuit verbondenheid en betrokkenheid op een ander.

We weten allemaal, hoop ik, hoe waardevol het is als iemand tegen jou zegt: Ik zal er zijn. Ik ben er voor je. Als je ziek wordt, als je je partner verliest of je kind, als je relatie op de klippen loopt, als je je baan verliest, als je depressief bent, als je je eenzaam voelt… Juist dan, in spannende tijden, op moeilijke momenten, betekenen die woorden onnoemelijk veel. Ik zal er voor je zijn. Degene die dat tegen jou zegt kan vaak niks doén. Ze kan je niet beter maken, ze kan je relatie niet redden, ze kan de dood niet tegenhouden… Ze zegt dan ook niet: ik zal iets doén. Of: ik zal je probleem oplossen. Nee, ze zegt: ik zal er zijn.

Deze woorden beantwoorden aan ons diepste verlangen. Een verlangen naar verbondenheid, een verlangen naar liefde. Naar iemand die er voor ons is. Het is niet voor niets de allereerste gedachte van God over de mens: Het is niet goed dat de mens alleen is (Genesis 2: 18). Mensen zijn gemaakt voor samen, voor ontmoeting, voor verbonden en verbanden.

Afgelopen week was ik bij een lezing van de Vlaamse psychiater Dirk de Wachter. Hij legde uit dat juist verdriet en pijn vaak leidt tot verbondenheid tussen mensen. Niet dat daarmee verdriet en pijn leuk of fijn worden… natuurlijk niet! Maar misschien herken je er wel iets van, dat verbinding vaak ontstaat op moeilijke momenten, dat relaties zich kunnen verdiepen in verdrietige tijden. En helemaal niet verbonden zijn… dat is geen leven. Of, zoals De Wachter het zei: de hel, dat is niemand hebben.

Ik zal er zijn, zegt God. Hij zégt het niet alleen, het is zijn naam, zijn diepste wezen: Ik zal er zijn. Hij (of Zij) zegt dus niet, zoals zoveel andere veeleisende goden in onze tijd: wees perfect, laat zien wat je waard bent, haal alles uit jezelf wat erin zit, wees mooi, heb succes, streef naar de top. Nee, de stem van God klinkt heel anders. Het is een aanmoediging, een troost, een bemoediging. Mozes, die voor een geweldige opdracht stond, nl. om zijn volk uit Egypte te leiden, was helemaal geen stoere, sterke leider. Mozes vond het doodeng en durfde niet. Maar uiteindelijk ging hij toch, met die naam van God als duwtje in de rug: Ik zal er zijn.

Het zou mooi zijn als we daarover leren praten met elkaar. Hoe of waar of wanneer ervaar jij iets van deze Ik-zal-er-zijn in je leven? Kunnen we dat delen met elkaar, durven we dat te delen? In zo’n gesprek is er dan uiteraard ook ruimte om te zeggen: Ik ervaar helemaal niks van God. God lijkt verborgen en onzichtbaar. Want ook dat gebeurt, en misschien kennen we allemaal die ervaring wel, dat je geen idee hebt waar je God moet zoeken. Dat God ver weg is, van de aardbodem verdwenen lijkt. Ook dat mag gezegd!

Als we daarover in gesprek raken, kunnen we misschien ook elkaar helpen zoeken. Want soms zoeken we op verkeerde plekken, niet in lelijke doornstruiken, niet bij onaanzienlijke vluchtelingen of mensen met een strafblad. Soms zoeken we te hoog en te ver en is God veel dichterbij dan je dacht. In de ogen of in de woorden van een naaste.

Ik hoop dat we dat gesprek leren voeren met elkaar, hier in de gemeente en misschien ook wel thuis of elders. En ik hoop dat je deze God – Ik-zal-er-zijn – mag tegenkomen, in de blik, de woorden, de handen van een naaste, in de stilte, in mooie tijden, maar zeker ook in momenten van verdriet, pijn of onzekerheid.