2018/12/25

25 december 2018, Protestantse gemeente IJsselstein, lezing: Lucas 2: 1-20

Gisteren las ik in de krant dat weinig Protestanten een kerststalletje in huis hebben. Ik weet niet of dat klopt… We kunnen hier even de proef op de som nemen (vast niet iedereen, maar een grote meerderheid van u is protestants, vermoed ik). Wie van u heeft er géén kerststal? En wie wel?

(net iets meer mensen hadden géén kerststal dan wel een kerststal, maar degenen die er wel één hadden waren er zeker niet weinig!)

Tot twee weken geleden had ik er ook geen. Dacht ik althans. Want op zolder bleek er nog één te liggen die al jaren niet gebruikt was. En op de dag dat ik Jozef en Maria en de herders zorgvuldig neerzette in de vensterbank, kreeg ik zelfs een tweede kerststal, van Hnaa.

Hnaa is islamitisch, en ze houdt van Jezus, zoals ze zelf zegt. Laatst had ze een kerststal gekocht en vroeg ze mij enthousiast om uit te leggen wie en wat er allemaal in stond, want dat wist ze niet. We noemden de namen in het Nederlands en in het Arabisch. Vorige week had ze dezelfde stal voor mij gekocht. Dus opeens heb ik er nu twee. En ik ben er blij mee, want ik vind het mooi, die kerststalletjes: niet zo bewerkelijk als een kerstboom – dat is me teveel gedoe – en bovendien nog bijbels ook.

Alhoewel… dat laatste is nog maar de vraag. Natuurlijk kun je het Bijbels noemen, want we hebben zojuist het verhaal gehoord over Jozef en Maria en Jezus, en over de herders. Dat er ook dieren bij waren is aannemelijk. Dat de wijzen niet bij Lucas voorkomen, maar alleen in het verhaal van Mattheüs, dat nemen we voor lief. Bijbels zijn die wijzen in elk geval wel, al staat er dan weer nergens dat het er drie waren.  Maar er is een andere reden dat ik twijfel aan het Bijbelse gehalte van de kerststal…

Vaak zijn het lieflijke, romantische tafereeltjes. Een jong stelletje dat zich verliefd over hun pasgeboren kindje buigt, kraambezoek van herders, en dat alles omringd door wat dieren. We hebben die stalletjes al zo vaak gezien, het verhaal al tig keer gehoord, iedereen kan het verhaal dromen. Heb je ooit een verrassende of zelfs schokkende kerststal gezien?

Het Bijbelse verhaal van Lucas is namelijk wél verrassend. En niet alleen verrassend, ook kritisch, verwarrend. Het zet onze wereld op zijn kop. Dat horen we meestal niet meer, als wij naar het geboorteverhaal luisteren. En we zien het niet meer, als wij naar zo’n lieve kerststal kijken. Maar laten we eens beter kijken, om te ontdekken wat Lucas ons wilde vertellen!

Lucas begint met Keizer Augustus, die eigenlijk Octavianus heette. ‘Augustus’ was de titel die hij kreeg, het betekent de verhevene. Hij kreeg ook nog een andere titel, namelijk ‘Princeps’, oftewel de eerste. Deze keizer is de verhevene, de eerste, de belangrijkste. Als hij iets zegt, gehoorzaamt iedereen. ‘Schrijf je in’, zegt hij, en iedereen schreef zich in. Ook Jozef en Maria. En uitgerekend dan, onderweg, ver van huis, bevalt Maria van haar zoon. Het kan niet anders of je voelt de spanning, de tegenstelling. Tegenover die verheven keizer die de eerste, de belangrijkste is, dit kleine kindje. Tegenover de grote stad Rome staat het dorpje Bethlehem. Tegenover een keizerlijke troon een simpele, harde voederbak. Tegenover de hoogwaardigheidsbekleders en bedienden waarmee Augustus zich omringt, staat een stelletje herders, arme mannen waar de meeste mensen destijds met een grote boog omheen liepen. Ze waren geen knip voor de neus waard.

Eerlijk gezegd geloof ik niet dat Lucas geïnteresseerd was in wat er precies gebeurd is op de geboortedag van Jezus. Ik geloof ook niet dat hij dat wist. Nee, hij was geïnteresseerd in dit bijzondere Kind, in zijn boodschap. En we weten hoe die boodschap luidt. De eersten zullen de laatsten zijn en de laatsten de eersten. (Marcus 10: 31) Wie de belangrijkste wil zijn, zal anderen moeten dienen en wie de eerste wil zijn, zal ieders dienaar moeten zijn. (Marcus 10: 43) Dáárom kwamen de herders als eersten op kraambezoek. Zij waren immers de laagsten, de laatsten, en worden hier de eersten.

Misschien horen wij in IJsselstein 2018 niet meer hoe revolutionair en verrassend en kritisch dit verhaal is. Maar stel je eens voor dat het verhaal in deze tijd zou spelen, dat Jezus in 2018 geboren werd. Ik geloof niet dat ie dan bij mij thuis geboren zou worden. Niet in een hotel of mooi huis, niet in een kerk of kantoor, niet in Den Haag of Amsterdam. Misschien in een sloppenwijk in Rio de Janeiro of Johannesburg? Of in een vluchtelingenkamp op één van de Griekse eilanden? Of in een bootje op zee? Of, als het in ons land gebeurt, in een AZC misschien, een bed/bad/brood opvang, of een gevangenis? Of misschien gewoon op straat, maar dan niet hier denk ik, eerder in Rotterdam Zuid of in Utrecht Overvecht… Allemaal plekken waar wij liever niet komen. Maar God wel. God kiest ervoor om juíst daar mens te worden, aan het licht te komen.

Daarmee verrast God ons. Of misschien kan ik beter zeggen: hij schokt ons en verwart ons. Want vaak associëren wij God met macht, of zelfs almacht. We verwachten soms, bewust of onbewust, dat Gods positie zó hoog en verheven is, dat Hij ons wel even een handje kan helpen. Maar het Kerstverhaal van Lucas heeft niks op met zulk verheven denken over God. God is te vinden in koude kribbe, in een kwetsbaar kindje dat nog helemaal niks kan, in het leven van twee jonge mensen die ongehuwd zwanger zijn – een schande! – en vervolgens moeten vluchten, bij herders die zo onbetrouwbaar werden gevonden dat ze niet eens mochten getuigen in de rechtbank. Juíst daar laat God zich vinden. Juist hén laat hij weten: het is goed dat jij er bent.

En Jezus zal het later zo zeggen: Als je de hongerige te eten geeft, dan geef je míj te eten. Als je de naakte kleedt, kleed je míj. Als je de zieke en gevangene bezoekt, bezoek je míj. (Mattheüs 25: 31-46) Jezus identificeert zich niét met degene die goed doet, die hulp verleent, maar met degene die kwetsbaar is en hulp nodig heeft! Precies zoals dat kind in de kribbe: kwetsbaar en hulpbehoevend. Zo laat God zich kennen met Kerst, anders dan wij ooit hadden gedacht.

“Een nieuwe God zijt Gij”, zingt één van de kerstliederen in ons liedboek (Lied 494). Een nieuwe God, niet als een Augustus, verheven en machtig, de eerste en belangrijkste, maar als een kind, klein en kwetsbaar, afhankelijk en hulpbehoevend. Een verrassend verhaal is het kerstverhaal, over een God die klein en kwetsbaar is. En het is een verhaal dat zal blijven verrassen, want het kind in de kribbe wordt een man op een ezel, een God aan het kruis.

Moeten we dan met kerst maar afscheid nemen van de macht, de almacht van deze God? Eerlijk gezegd vind ik die vraag niet zo interessant. Het is een theoretische, theologische vraag die volgens mij weinig met het geboorteverhaal van Jezus te maken heeft. De vraag die Kerst ons stelt is niet of God almachtig is, maar is de vraag voor welke macht wij door de knieën gaan.

Voor welke macht kniel jij? Welke macht of machten wil jij dienen in je leven? Is dat de macht van rijkdom en aanzien, van geld en goed, van succes en status, van imago en schoonheid? Of knielen wij, samen met de herders en de wijzen, voor de weerloze macht van de liefde, voor een God die zich verbindt met gewone mensen, met herders, verschoppelingen, zondaars en tollenaars, met jou en mij, voor een God die niets anders van ons vraagt dan onze liefde?