2018/04/01

1 april 2018 Pasen, Protestantse gemeente IJsselstein, lezing: Johannes 20: 1-18

Stel je eens voor dat jij één van Jezus’ leerlingen bent. Eergisteren is hij gekruisigd. Een drama was het… en eigenlijk kun je het nog nauwelijks geloven. Hoe is het mogelijk dat hij die niets anders dan liefde en vrede predikte vermoord is?
Het is onwerkelijk. Je hebt het gevoel dat hij ieder moment weer binnen kan stappen. Dat het niet echt gebeurd is. Een boze droom is het waaruit je hopelijk gauw ontwaakt.

Je zoekt de andere vrienden van Jezus op. Samen halen jullie herinneringen op. Aan alle mooie momenten die jullie samen beleefd hebben. Aan de goede gesprekken die jullie met hem hadden. Maar ook aan de raadselachtige dingen die hij soms kon zeggen. Vaak begreep je er weinig van. Het was soms moeilijk te vatten wat hij zei. Maar hij sprak met zoveel kracht en overtuiging, dat je ‘m geloofde. Hij was geloofwaardig. Vooral omdat hij deed wat hij zei. Omdat hij leefde zoals hij predikte.
Soms werd je ook wel eens moe van hem. Hij wist van geen ophouden. Áltijd was hij in het gezelschap van zieken, zwervers, bedelaars, tollenaars, hoeren en vreemde vogels. Hij gaf hen het gevoel dat ze er ook bij horen. Dat het Koninkrijk van God waarover hij altijd sprak ook voor hen is. Vaak bloeiden mensen helemaal op wanneer ze Jezus ontmoet hadden. Ze hadden weer een beetje vertrouwen gekregen. Zagen het weer zitten.
Maar Jezus kon ook hard zijn. Wat kon hij tekeer gaan tegen mensen die huichelen! Tegen mensen die niet doen wat ze zeggen. Tegen mensen die anderen veroordelen en buitensluiten. Dan werd hij pisnijdig…

En terwijl jullie zo al die herinneringen aan Jezus zitten op te halen, soms met een lach, en vaak met een traan, stormt opeens midden in jullie gesprek Maria binnen. Maria was één van zijn beste vrienden. Sinds vrijdag heeft ze alleen maar gehuild. Kapot was ze ervan. Ze komt binnenstuiven en het enige dat ze roept is: “Ik heb de Heer gezien. Ik heb de Heer gezien. Jongens, ik heb Jezus gezien!”
Jullie proberen haar te sussen. Waarschijnlijk is ze in de war. Misschien heeft ze gedroomd. Of hallucineert ze. Maar hoe meer jullie proberen haar tot rust te manen, hoe feller ze wordt. Totdat één van de anderen zegt: “Oké Maria, vertel ons dan wat er gebeurd is.”

En ze begint te vertellen…
Hoe ze ’s ochtends heel vroeg naar het graf gegaan was. Ze kon toch niet slapen. Ze wist niet goed wat ze daar ging doen. Op een of andere manier had ze het gevoel dat ze dáár dichtbij hem was. En ze wilde hem niet alleen laten, daar in dat koude graf.
Het was nog donker toen ze op weg ging. En heel stil op straat. Ze hoorde alleen haar eigen gesnik.
Toen ze daar aankwam, ging ze zitten op een steen tegenover het graf. Ze liet haar tranen de vrije loop. En in gedachten sprak ze tegen Jezus: “Waar ben je? Waarom laat je me alleen? Ik weet niet hoe ik verder moet zonder jou.”
En terwijl ze zo diep in gedachten verzonken is, voelt ze een hand op haar schouder. Ze kijkt om en ziet de tuinman. Hij vraag wat er is, en zij vertelt. Het hele verhaal. Al haar tranen en al haar verdriet en al haar herinneringen komen eruit.
En hij luistert. En hij kijkt haar aan.
Precies zoals Jezus dat ook kon doen. Met ogen die dwars door je heen kijken, alsof ze je helemaal doorgronden. En tegelijkertijd met zoveel begrip en liefde in zijn blik, dat je er warm van werd.
Hij gaf je altijd het gevoel dat je er mocht zijn. Gewoon zoals je bent. Met al je eigenaardigheden, met je fouten, met je verleden.

De tuinman lijkt wel een beetje op hem. Hij luistert aandachtig, en Maria voelt zich gehoord, begrepen. Het voelt vertrouwd. Alsof ze elkaar al jaren kennen. Wanneer ze afscheid nemen noemt hij haar naam. Maria. Het is alsof ze Jezus’ stem hoort. Alsof Jezus zelf haar roept: Maria!

En langzaam dringt het tot Maria door. Dat de stem van Jezus niet gesmoord is aan het kruis. Dat Hij leeft, overal waar mensen in zijn voetsporen gaan. Dat Jezus leeft in en door de tuinman. En dat Hij kan leven in en door iedere mens. Dat Hij ook kan leven in en door háár. Wanneer zij zich zijn woorden blijft herinneren en probeert te leven in zijn Geest.
Had hij zoiets niet ook ooit gezegd? “Blijf in mij, dan blijf ik in jullie”. Ze voelt zich wat sterker worden, en zelfs een klein beetje vrolijk.

Als Maria is uitgepraat, blijft het stil. De anderen vrienden van Jezus weten niet wat ze moeten zeggen.
Maria is niet gek geworden, dat snappen ze nu wel. Wat ze zegt klinkt geloofwaardig en overtuigend. Ze praat bijna net zo overtuigend als Jezus. Alsof Jezus hier nog in hun midden is. Alsof híj spreekt door haar. Het is alsof ze zijn stem horen!
Is dat niet precies wat zij zojuist zei: dat Hij zal blijven leven in ieder mens die leeft in zijn Geest?

Tweeduizend jaar lang is het zo doorgegaan. Hebben mensen de Geest van Jezus levend gehouden. Hebben mensen zijn stem gehoord. Hebben zij door hun woorden en hun daden steeds opnieuw laten zien dat Jezus niet dood is, maar dat Hij leeft. Dat Hij onder ons is, overal waar wij in zijn voetsporen gaan. Overal waar wij met echte en oprechte aandacht luisteren naar elkaar. Overal waar wij elkaar aankijken met een blik van begrip en acceptatie. Overal waar wij met liefde elkaars naam noemen.
Het Paasverhaal gaat door. Tot op de dag van vandaag!
En wij, wij zijn geen publiek, geen toehoorders. We kijken niet vanaf een afstandje naar een theaterstuk. Alsof het hiér op het podium gebeurt, en de spelers mensen van lang geleden zijn: Jezus, Maria, Petrus, Andreas, Johannes…
Nee, wij worden uitgenodigd om méé te doen in dit verhaal van Pasen. Uitgenodigd word je om zelf op te staan en het verhaal van Jezus levend te houden. Overal waar dat gebeurt – waar gehandeld, gesproken, geleefd wordt in de Geest van Jezus – daar is het Pasen. Daar vieren wij zijn opstanding! Daar vieren wij Gods naam: Ik zal er zijn.