2018/03/11

11 maart 2018, Protestantse gemeente IJsselstein, lezing: Johannes 6: 1-15

In Nederland gaan we zelden rond 18 uur ’s avonds even bij elkaar op bezoek. Dat is immers etenstijd, en zomaar onaangekondigd en zonder uitnodiging ergens blijven eten… dat zijn we niet zo gewend.
Afgelopen week vertelde iemand me hoe zij en haar man lang geleden gingen eten bij haar schoonouders. Haar zwager, een broer van haar man, kwam ook langs, onverwachts. Zijn moeder zei: “Je weet waar het brood ligt. Als je mee had willen eten, dan had je het moeten zeggen.” En zo at hij een boterham, terwijl de rest van een warme maaltijd genoot…

Aan de andere kant zijn er ook huizen waarin altijd iemand kan aanschuiven.
Mijn moeder komt uit een gezin met 13 kinderen en het was geen vetpot. En toch konden er altijd nog vriendjes en vriendinnetjes blijven eten. Het eten dat door 15 gedeeld moest worden, kon blijkbaar net zo goed door 18 gedeeld worden. En in een bed met 2 kinderen kon er ook nog wel een 3e bij. Veel was er niet, maar wat er was werd gedeeld.

Is er voldoende of is er te weinig? Dat is de vraag van vandaag.
En het is maar net hoe je kijkt.
Wat de één te weinig vindt, vindt een ander genoeg. En omgekeerd.

In het verhaal van vandaag zijn het de leerlingen die denken dat er te weinig is.
Filippus heeft geen idee hoe hij de duizenden mensen te eten moet geven.
“Zelfs tweehonderd denarie zou niet voldoende zijn om iedereen een klein stukje brood te geven”, zegt hij.
En als er daarna een jongen gevonden wordt met 5 broden en 2 vissen, zegt Andreas: “Wat hebben we daaraan voor zo veel mensen?”

Het is te weinig, zeggen ze.
En misschien herken je dat wel.
Dat je soms bang bent dat je te weinig hebt.
Te weinig in te brengen. Te weinig te zeggen. Te weinig te geven.
Misschien houd je in grotere gezelschappen je mond, omdat jouw inbreng niet zo belangrijk is en anderen veel meer te zeggen hebben.
Of misschien denk je, als iemand je vraagt om iets te doen: dat kan ik niet, daarvoor heb ik te weinig huis.

Denken we dat niet te snel, dat het te weinig is?
Zeker als we onszelf gaan vergelijken met anderen.
Dan hebben anderen vaak meer: meer talent, meer schoonheid, meer wijsheid, meer succes, meer creativiteit. Of groener gras, een mooier huis, een grotere auto…
Vergelijken is funest. Het maakt ons klein en bang.
Wat we nodig hebben is iemand die in ons gelooft.
Iemand die zegt: jij kunt dat!
Iemand die ons helpt om te ontdekken dat we méér in ons hebben dan we dachten en die ons stimuleert om dat te delen.
Iemand die zegt: kijk eens goed, het is helemaal niet te weinig. Het is genoeg!

Terwijl de leerlingen bang zijn voor tekort, heeft Jezus een groot vertrouwen.
Vertrouwen dat het genoeg is.
En vol vertrouwen begint hij te delen wat ze hebben.
En wat blijkt… er is overvloed! Er is méér dan genoeg!

Zoals Jezus naar die 5 broden en 2 vissen kijkt, zo kijkt hij ook naar de mensen die hij ontmoet: naar Zacheüs de tollenaar, naar Petrus die hem verloochent, naar Thomas die moeite heeft om te geloven.
En zo kijkt God naar ons, naar jou en mij. Met ogen die zeggen: jij bent genoeg! Meer dan genoeg! Ik geloof in jou. Ik heb er vertrouwen in! Ga maar, ga en wees niet bang, deel maar wat je hebt, het is genoeg!

Wij hebben een keuze. Met welke bril willen wij kijken, naar onszelf, naar elkaar, naar ons leven?
Bang en bezorgd dat het te weinig is? Dat je te weinig in huis hebt? Dat anderen weinig te bieden hebben? Dat het leven karig is?
Of met vertrouwen? Vol vertrouwen dat het genoeg is. Dat het goed komt. Dat het kan. Zoals Jezus naar die broden keek en geloofde: het is voldoende!

Vijf broden waren het. En twee vissen.
Talloze verklaringen zijn er voor die aantallen.
Samen zeven, het getal van de volheid. Zeven is voldoende.
Vijf… verwijst het naar de Thora, de wet, die uit 5 boeken bestond?
Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium.
En twee vissen, want niet alleen de Wet, maar ook de Profeten geven richting aan het leven.
De 5 boeken van de Thora, de Wet en de Profeten… dat is voor Jezus het echte voedsel.
Wanneer de leerlingen bezorgd tegen Jezus zeggen: ‘Rabbi, u moet iets eten’, zegt hij: ‘Ik heb voedsel dat jullie niet kennen (…) Mijn voedsel is: de wil doen van hem die mij gezonden heeft.’ (Johannes 4: 31-34)
De wil van God doen… dat is waarmee Jezus zich voedt.
En even later zal hij zeggen: “U moet geen moeite doen voor voedsel dat vergaat, maar voor voedsel dat niet vergaat en eeuwig leven geeft.” (Johannes 6: 27)
Het gaat hier aan de ene kant over voedsel in letterlijke zin, voedsel voor ons lichaam, dagelijks brood.
En aan de andere kant over geestelijk voedsel, brood voor de ziel. Dat wat ons niet alleen in leven houdt, maar wat ons leven werkelijk goed maakt, vreugdevol, zinvol. Voedsel dat ons eeuwig leven geeft.
Begrijp het niet verkeerd: dit gaat niet over een leven ná dit leven, nee, eeuwig leven is leven in overvloed hier-en-nu. Leven met de Eeuwige. Vreugdevol, zinvol leven.
En om dát leven te vinden, heeft Jezus de Thora nodig. Geestelijk voedsel.
In een paar woorden vat hij die samen met: ‘Heb God lief en heb je naaste lief als jezelf’.
En de vraag aan ons is: wat voedt ónze ziel? Wat is óns geestelijke voedsel?

Afgelopen week vertelde een collega dat hij elke ochtend begint met minstens 3 hoofdstukken uit de Bijbel te lezen. Ik wil niet zeggen dat we dat allemaal moeten doen en dat dat dé manier is om je te voeden. Het is niet míjn manier. Ik denk dat wij allemaal onze eigen manier moeten ontdekken.
Hoe kun jij, hoe kunt u gevoed worden? Niet alleen met dagelijks brood, met brood dat vergaat, maar ook met voedsel dat eeuwig leven geeft, voedsel dat werkelijk verzadigt en ons leven zin en betekenis geeft.
Het begint denk ik met het besef dat we zulk voedsel nodig hebben.
Of we het nou vinden in de kerkdienst of in de stilte, in een meditatiegroep of in muziek, in gesprekken met anderen of in boeken die we lezen, in gebed of in een wandeling buiten… we hebben voedsel nodig dat niet vergaat.
Of, zoals Jezus zelf de Bijbel citeerde in de woestijn: “De mens leeft niet van brood alleen, maar van ieder woord dat klinkt uit de mond van God.” (Mattheüs 4:4, Deuteronomium 8:3)

Eerlijk gezegd vind ik het best lastig, om voor mezelf daar tijd voor te maken, discipline op te brengen, om mij niet alleen 3x per dag te voeden met brood en fruit en aardappels, maar ook met woorden van God.
Het schiet er vaak bij in. Het komt er niet van.
Andere dingen lijken belangrijker. Maar is dat ook zo?
Of mis ik dan toch iets?
Precies daarover gaat de avond die ik komende week organiseer voor ouders: hoe vind je in hemelsnaam in een druk en hectisch gezinsleven tijd om jezelf geestelijk te voeden, of te laten voeden? Wáár vind je dat voedsel?
Het is een vraag voor ons allemaal. En het is goed om er met elkaar over te praten. Om uit te wisselen: hoe doe jij dat? Waar vind jij brood voor je ziel? Waar vind je jij inspiratie voor je leven?

Jezus deelt niet alleen maar brood, maar even later zegt hij: “Ik bén het brood dat leven geeft.” (Johannes 6:35)
De woorden van Jezus, het leven van Jezus, de Geest van Jezus, de verhalen over Jezus… ze kunnen ons voeden, ook nu nog, 2000 jaar later.
Zijn stem die vol vertrouwen zegt: “Het is genoeg”,
zijn stem die tegen joú zegt: “jíj bent genoeg, wees niet bang, ga maar, deel jezelf maar uit, je hebt een heleboel te geven”,
die stem kan ons voeden, kan ons inspireren en ons leven zin en vreugde geven.
Ik wens ons toe dat wij die stem gaan horen, dat we onze angst om tekort te komen of tekort te schieten overwinnen, in het vertrouwen dat het in Gods naam genoeg is. Méér dan genoeg.