2017/11/12

12 november 2017, Protestantse gemeente IJsselstein – thema: De Hemel?! – i.s.m. jongeren van Bijbelvuurtje

Inleiding op het thema
Ik geloof:
de wederopstanding des vleses,
en een eeuwig leven.
Dat zongen we…
Maar geloven we het ook?
Wat stellen we ons voor bij die opstanding en dat eeuwige leven?
Is het voor jou een grote troost? Een belangrijk houvast?
Of zeg je misschien: ach, ik weet het niet zo goed, we zullen wel zien…
Of, zoals ik iemand eens hoorde zeggen: ik laat me tzt graag verrassen.

Laatst vertelde iemand mij hoeveel troost en kracht het hem geeft om in een hemel te geloven. Welke prachtige voorstellingen hij daarvan heeft. En hoe die hoop en dat vertrouwen hem op de been houden.
Ik was onder de indruk van wat geloof voor een mens kan betekenen.
Wat een positieve kracht het kan zijn in iemands leven.
Dat maakte me stil. En ook blij!
Want dat is toch hoe geloof bedoeld is:
als een bron van vertrouwen, als grond onder onze voeten, als een hulp en steun in ons leven.
Als geloof in een hemel zó kan functioneren, dan is het waardevol en heilzaam. Dan is het waar, zou ik zelfs willen zeggen.

Ik moest ook denken aan een vrouw die me iets heel anders vertelde:
Hoe ze vroeger opgroeide met geloof in een hemel en een hel, en hoe ze bang was als kind voor die hel. Bang om niet goed genoeg te zijn, niet goed genoeg te geloven, niet goed genoeg te leven.
Nu geloofde ze niet meer in die hel. Ze had er afscheid van genomen.
En toch… de angst bleef. De angst van vroeger was zo hardnekkig dat die telkens weer de kop op stak. Ook al geloofde ze niet meer in een hel, toch werd ze erdoor achtervolgd. Het liet haar niet los.
Dat maakte me verdrietig. Want zó kan geloof in een hiernamaals óók werken: als een bron van zorg en angst, als een dreigend vooruitzicht. Het maakte me verdrietig, omdat het indruist tegen alles waar geloven voor mij om draait: vertrouwen, hoop en liefde.
Ook het geloof in een hel is ooit ontstaan als een troost: het vertelt ons dat er eens, op een dag, recht gedaan zal worden. Dat goed en kwaad gescheiden zullen worden van elkaar. Eindelijk gerechtigheid! Als jou in dit leven vreselijk onrecht aangedaan is, kan dat een troostrijke gedachte zijn.
Maar zodra de hel angst aanjaagt, mensen bang en klein maakt, gaat het mis!
Zodra mensen elkaar de hel toewensen, of denken te weten wie er in de hemel en wie er in de hel belandt, zijn we heel ver van de hemel verwijderd.

Hoe het precies zit, wat waar is en wat niet, wat ons wacht na dit leven… ik weet het niet.
Maar er is één ding dat ik wél weet: geloven draait om vertrouwen, hoop en liefde.
Geloof is geen stok om mee te slaan, maar een stok die houvast geeft in het leven.
Een geloof dat bang maakt, kan niet waar zijn.
En ook al weet ik niets over de hemel, ik kan wel hopen en vertrouwen.
Geloven.
Verlangen.
Zingen.

Diverse teksten uit de Bijbel
Wat zegt de Bijbel eigenlijk over leven na de dood? Over een hemel?
Laat ik vooropstellen: ‘dé Bijbel’ zegt helemaal niks. Want de Bijbel is een verzameling van 66 boeken die allemaal door andere schrijvers in andere tijden geschreven zijn.
De antwoorden op onze levensvragen – zoals de vraag: is er leven na de dood? – kun je niet zomaar even uit de Bijbel plukken. Ik zie de Bijbel niet als een antwoordenboek, maar als een boek vol met levensverhalen en geloofsverhalen.
Verhalen van mensen lang geleden die, net als wij, met vallen en opstaan door het leven gingen. Soms worstelend en soms genietend. Soms hoopvol en soms angstig. Soms vol geloof en soms vol vragen en twijfels. En in hun leven ontdekten ze soms sporen van God. Daarover schreven ze verhalen die later in de Bijbel terecht kwamen.

Maar wat schreven zij dan over de hemel?

Eigenlijk niet eens zoveel.
Geloof in een leven na dit leven staat zeker niet centraal in de Bijbel.
Het gaat in de Bijbel niet om de hemel, maar om de aarde, om ons samenleven als mensen in deze wereld.
Het gaat om de hoop dat deze aarde eens goede aarde zal zijn.
Jezus noemde dat ‘het Koninkrijk van God’. Dat was voor hem niet de plek waar onze overleden dierbaren zijn, nee, dat was deze wereld maar dan omgekeerd. Een wereld waarin de laatsten de eersten zullen zijn, waarin de hoeren en de tollenaars voorop gaan, waarin eten genoeg is voor iedereen en waarin de wolf en het lam samen spelen.
Kortom: een wereld van vrede en vreugde, van delen en dienstbaarheid.
Die goede wereld… die staat centraal in de Bijbel.

Zeggen de Bijbelschrijvers dan helemaal niks over een leven na de dood?
Nee, ze zeggen wel iets. Ik wil jullie meenemen langs een paar bijbelteksten.

Als we naar het Oude Testament kijken, dan vinden we heel weinig over de hemel.
Het Oude Testament draait, zoals ik zojuist al schetste, om dít leven, déze aarde.
En als zijn tijd gekomen is, dan blaast de mens zijn laatste adem uit en geeft zijn leven terug aan God.
Meer wordt daarover niet gezegd.
In het dodenrijk is er niets.
Het is niet een plek waar de doden voortleven, er is enkel leegte en stilte in het dodenrijk.
“Want doden noemen uw naam niet meer! Wie in het dodenrijk kan u nog loven?” (Psalm 6: 6)

Ook voor Job lijkt het leven op te houden bij de dood:
“Voor een boom is er altijd hoop: als hij wordt omgehakt, loopt hij weer uit, er blijven nieuwe loten komen. (…) Maar een mens sterft en hij ligt terneer. Hij blaast zijn laatste adem uit – waar is hij dan? (…) Een mens gaat liggen en staat niet meer op. Zolang de hemel zal bestaan, ontwaakt hij niet, hij wordt niet uit zijn slaap gewekt.” (Job 14: 7-12)

En prediker schrijft: “Wanneer de adem van het leven weer naar God gaat, die het leven heeft gegeven.” (Prediker 12: 7)

Een uitzondering is het boek Daniël.
Het is één van de jongste boeken in het Oude Testament, geschreven in de 2e eeuw v. Chr. In die tijd ontstond in Israël gaandeweg een geloof in de opstanding van de doden.
“Velen van hen die slapen in de aarde, in het stof, zullen ontwaken, sommigen om eeuwig te leven, anderen om voor eeuwig te worden veracht en verafschuwd. De verlichten zullen stralen als het fonkelende hemelgewelf, en degenen die velen tot gerechtigheid hebben gebracht als de sterren, voor eeuwig en altijd.” (Daniël 12: 2-3)
“Jij (Daniël), ga het einde tegemoet. Je zult te ruste gaan en aan het einde van de dagen opstaan om je bestemming te bereiken.” (Daniël 12:13)

Pas in het Nieuwe Testament wordt het geloof in de opstanding gewoner.
In Jezus’ tijd geloofden de meeste joden in een opstanding.
Maar niet allemaal: “Diezelfde dag kwamen er sadduceeën, die beweren dat er geen opstanding uit de dood is, naar Jezus toe.” (Mattheüs 22: 23)
Uit het gesprek tussen Jezus en de Sadduceeën blijkt dat Jezus wél gelooft in een opstanding uit de dood.
En ook uit andere woorden van Jezus blijkt dat:
“Wanneer u mensen ontvangt, nodig dan armen, kreupelen, verlamden en blinden uit. Dan zult u gelukkig zijn, zij kunnen voor u dan wel niets terugdoen, maar u zult ervoor beloond worden bij de opstanding van de rechtvaardigen.” (Lucas 14: 13-14)

Na Jezus’ dood groeide het geloof dat Jezus zelf was opgestaan uit de dood.
Voor Paulus was Jezus’ opstanding de kern van zijn geloof.
Hij schrijft daarover uitgebreid in zijn brief aan de Korintiërs:
“Maar wanneer nu over Christus wordt verkondigd dat hij uit de dood is opgewekt, hoe kunnen sommigen van u dan zeggen dat de doden niet zullen opstaan? Als de doden niet opstaan, is ook Christus niet opgewekt; en als Christus niet is opgewekt, is onze verkondiging zonder inhoud en uw geloof zinloos.” (1 Korintiërs 15)
Voor Paulus is ons geloof zinloos als we niet geloven in de opstanding van Christus.
En als we wél geloven in Jezus’ opstanding, dan is voor Paulus duidelijk dat ook wíj mensen zullen opstaan uit de dood.

Zo zien we dus in die ene Bijbel verschillende gedachten over een leven na dit leven.
We zullen onze eigen weg daarin moeten vinden. Er is niet één goed antwoord.
De vraag is: wat denk je zelf? Wat spreekt jou aan? Wat inspireert jou?
En vooral: wat geeft jou vertrouwen en houvast in je leven?

Mij raken de woorden van Jezus aan het kruis: “Vader, in uw handen beveel ik mijn geest.” (Lucas 23: 46)
Deze woorden geven mij geen informatie over wat er na de dood is.
Ze geven me geen antwoorden.
Maar ze geven me wel troost en vertrouwen.
Dat ik, óók als ik sterf, veilig ben in Gods handen.
Dat mijn leven bij God terecht komt.

En hoewel mijn geloof in een opstanding uit de dood niet zo stellig is als dat van Paulus, zijn er andere woorden van Paulus die ik troostrijk vind.
“Ik ben ervan overtuigd dat dood noch leven, engelen noch machten noch krachten, heden noch toekomst, hoogte noch diepte, of wat er ook maar in de schepping is, ons zal kunnen scheiden van de liefde van God.” (Rom. 8: 38-39)

De liefde van God. Dáár gaat het voor mij om. Niet straks, maar nu al. Niet ooit en later, maar hier in dit leven. En die liefde… die is onverwoestbaar. Sterker dan de dood.

Zo zoek ik mijn weg door die vele bijbelteksten.
En zo hoop ik dat jij jouw weg vindt.
Een weg zonder angst.
Een weg vol vertrouwen. Vol troost. Vol liefde.