2017/09/17

17 september 2017, Protestantse gemeente IJsselstein

1 Korintiërs 12: 12-27
12 Een lichaam is een eenheid die uit vele delen bestaat; ondanks hun veelheid vormen al die delen samen één lichaam. Zo is het ook met het lichaam van Christus. 13 Wij zijn allen gedoopt in één Geest en zijn daardoor één lichaam geworden, wij zijn allen van één Geest doordrenkt, of we nu uit het Joodse volk of uit een ander volk afkomstig zijn, of we nu slaven of vrije mensen zijn. 14 Immers, een lichaam bestaat niet uit één deel, maar uit vele. 15 Als de voet zou zeggen: ‘Ik ben geen hand, dus ik hoor niet bij het lichaam,’ hoort hij er dan werkelijk niet bij? 16 En als het oor zou zeggen: ‘Ik ben geen oog, dus ik hoor niet bij het lichaam,’ hoort het er dan werkelijk niet bij? 17 Als het hele lichaam oog zou zijn, waarmee zou het dan kunnen horen? Als het hele lichaam oor zou zijn, waarmee zou het dan kunnen ruiken? 18 God heeft nu eenmaal alle lichaamsdelen hun eigen plaats gegeven, precies zoals hij dat wilde. 19 Als ze met elkaar slechts één lichaamsdeel zouden vormen, zou dat dan een lichaam zijn? 20 Het is juist zo dat er een groot aantal delen is en dat die met elkaar één lichaam vormen. 21 Het oog kan niet tegen de hand zeggen: ‘Ik heb je niet nodig,’ en het hoofd kan dat evenmin tegen de voeten zeggen. 22 Integendeel, juist die delen van het lichaam die het zwakst lijken zijn het meest noodzakelijk. 23 De delen van ons lichaam waarvoor we ons schamen en die we liever bedekken, behandelen we zorgvuldiger en met meer respect 24 dan die waarvoor we ons niet schamen. Die hebben dat niet nodig. God heeft ons lichaam zo samengesteld dat de delen die het nodig hebben ook zorgvuldiger behandeld worden, 25 zodat het lichaam niet zijn samenhang verliest, maar alle delen elkaar met dezelfde zorg omringen. 26 Wanneer één lichaamsdeel pijn lijdt, lijden alle andere mee; wanneer één lichaamsdeel met respect behandeld wordt, delen alle andere in die vreugde. 27 Welnu, u bent het lichaam van Christus en ieder van u maakt daar deel van uit.

Overweging
“Ik ga niet om hulp vragen. Ik los het zelf wel op!”
Of: “Ik wil anderen niet lastigvallen. Ik red me wel alleen!”
Dat zijn uitspraken die ik heel vaak om me heen hoor. En die ik ook bij mezelf herken.
Een diepgewortelde neiging om dingen zelf op te lossen, zonder hulp van anderen.
Een sterk verlangen om onafhankelijk te zijn en niemand nodig te hebben.
Ga maar eens na hoe dat bij jou zit.
Vraag je gemakkelijk iemand om hulp? Zeg je tegen mensen om je heen: ik heb je nodig?
Of herken je de neiging om het liever in je eentje op te lossen en te zeggen: ik red me wel, maak je om mij geen zorgen?

Paulus protesteert tegen deze onafhankelijkheid en zelfredzaamheid.
Hij zegt: “Het oog kan niet tegen de hand zeggen: ‘Ik heb je niet nodig,’ en het hoofd kan dat evenmin tegen de voeten zeggen.”
Samen vormen wij een lichaam, maar in ons eentje komen we niet ver.
De één is een oog, een ander hand en weer een ander een voet.
Maar wat is een oog zonder hand? Of een hoofd zonder voet?
We kunnen niet zonder elkaar.
Want er is veel wat ik kan, maar er is ook veel wat ik niet kan!
Ik zou me geen raad weten zonder automonteur, fietsenmaker, tandarts, kapper, loodgieter, of computerdeskundige, zonder vrienden en medemensen.
Gelukkig zijn er mensen die kunnen wat ik niet kan.
En kan ik soms iets wat anderen niet kunnen.
Niemand in deze wereld kan alles zelf en alleen doen. We hebben elkaar nodig.

Het klinkt zo ontzettend simpel en voor de hand liggend!
Maar als we ons deze overtuiging écht eigen maken, wordt het dan niet ietsje makkelijker om anderen om hulp te vragen?
De Zuid-Afrikaanse aartsbisschop Desmond Tutu schreef hierover dit:
“We moeten niet volledig onafhankelijk willen zijn. Dat maakt ons minder mens.
We zijn gemaakt met een ingeschapen ontoereikendheid, opdat we ons bewust worden van onze ultieme behoefte aan de ander, aan de man of vrouw die aanvult wat ik tekortschiet.
Daarom zei God: ‘Het is niet goed dat de mens alleen is.’”
(Desmond Tutu, ‘In Gods hand’, p. 37)
Kortom: God heeft ons zó gemaakt dat we het in ons eentje niet redden en dat we een ander nodig hebben. Het zit ingeschapen, ingebakken in onze menselijke natuur: dat we afhankelijk zijn, aangewezen op elkaar!

En toch zie ik om me heen en in mijzelf die sterke neiging tot onafhankelijkheid, en de grote moeite om een ander om hulp te vragen…
Is het hoogmoed, om te denken dat je het allemaal wel in je eentje kunt?
Is het angst, omdat je bang bent dat een ander niet voor je klaarstaat en je uiteindelijk toch op jezelf teruggeworpen wordt?
Of zou het onzekerheid zijn, omdat je denkt dat je de hulp van een ander niet waard bent?
Ik ontmoet veel mensen die wel heel graag een ander willen helpen, maar geholpen worden… nee, dat liever niet!
Blijkbaar verdient een ander alle aandacht en hulp die hij nodig heeft, maar gunnen we onszelf die aandacht en hulp in veel mindere mate… Ben ik niet evenveel waard als die ander? Als ik graag hulp en aandacht wil geven, mag ik dan niet evenzeer om hulp en aandacht vragen?

Te denken dat we het alleen wel redden, of dat we het in ons eentje moéten doen, is een valkuil die velen herkennen. Maar het tegenovergestelde hiervan is evenzeer een valkuil. Namelijk je eigen bijdrage aan het geheel te onderschatten. Wat stel ik nou voor? Wat kan ik nou voor anderen betekenen?
Ze hebben mij niet nodig, ze kunnen ook wel zonder mij!

Ook daarover schrijft Desmond Tutu rake woorden:
“Ik heb vaak gefascineerd naar optredens van symfonieorkesten zitten kijken en naar de vele prachtige muziekinstrumenten die daarin een plaats hebben: violen, cello’s, trompetten en nog veel meer. De componist heeft voor elk van deze instrumenten muziek geschreven. De dirigent wijst zo nu en dan naar achteren, waar iemand met een triangel op zijn aanwijzing nauwgezet een ‘ping’ produceert. In onze ogen is dat misschien een onbeduidend instrument dat we niet eens zouden missen, maar in de visie van de componist zou er iets onvervangbaars, iets unieks ontbreken in de algehele klankkleur van de symfonie wanneer die ‘ping’ achterwege zou blijven.
Er zou iets onvervangbaars verloren gaan (…) als jouw of mijn persoonlijke ‘ping’ er niet bij zou zijn. We zijn stuk voor stuk onzegbaar uniek.”
(Desmond Tutu, ‘In Gods hand’, p. 37-38)

Kennen wij de unieke en onvervangbare waarde van onze persoonlijke ‘ping’?
Of denken we: ik ben maar een triangel, anderen zijn een viool of trompet, die zijn veel belangrijker?
We zijn soms geneigd om onszelf klein te maken, onszelf te onderschatten.
Terwijl we uniek en onvervangbaar zijn, en onze ‘ping’, hoe klein of zacht ook, niet gemist kan worden in het geheel.
Of je nou dokter bent of monteur, of je nou werk hebt of niet, of je ziek bent of gezond, rijk of arm, jong of oud… ieder mens heeft zijn eigen unieke betekenis en bijdrage aan het geheel. Soms op de voorgrond, duidelijk zichtbaar, en soms verborgen, bijna onhoorbaar.

Een tijdje geleden zag ik de theatervoorstelling ‘Ode aan Jasper’.
Jasper is 18 jaar en ernstig meervoudig gehandicapt. Toen hij geboren werd, stortte het leven van zijn vader Mark in. Hij wist er geen raad mee en wilde het liefste vluchten.
Je kunt je afvragen: wat heeft deze jongen nou bij te dragen aan deze wereld, aan zijn omgeving?
Hij heeft heel veel hulp nodig, maar hij heeft weinig te geven.
In een radio-interview vertelt zijn vader wat Jasper kan:
“Hij kan van liggen naar zitten. Hij kan een bekertje drinken aannemen en dat naar zijn mond brengen. Een vorkje met brood daaraan geprikt zou hij naar zijn mond kunnen brengen. En enorm vrolijk zijn en ons ontzettend veel leren, dat is wat hij kan!”
Ook Jasper heeft zijn persoonlijke ‘ping’, zijn eigen unieke bijdrage aan het geheel. Het heeft zijn vader wel jaren en jaren tijd gekost om dat te ontdekken.

En zo zijn er veel mensen in deze samenleving die wij in eerste instantie misschien niet zo waardevol vinden: daklozen, vluchtelingen, mensen zonder werk of zonder economisch rendement, zieken, gehandicapten… we zien hen vaak vooral als mensen die óns nodig hebben.
Maar als we het beeld van Paulus serieus nemen, dan vormen ook zij een zinvol deel van het lichaam. Dan heeft ieder mens zijn eigen unieke bijdrage, hoe klein die op het eerste gezicht misschien ook lijkt!

Ik sprak met een vrouw op hoge leeftijd. Lange tijd had ze voor haar man gezorgd, hij had haar nodig en zij kon hem helpen. Toen hij overleed, vroeg zij zich af wat haar leven nog voor waarde heeft. Samen met haar probeerde ik te zoeken naar zin en betekenis. Misschien, zei ik tegen haar, speelde u vroeger viool en was uw betekenis onmisbaar en overduidelijk. En misschien speelt u nu aan het eind van uw leven triangel, maar ook dat geluid is van belang. Bijv. omdat de kleinkinderen hier graag komen en hun oma nog niet willen missen.
De trompetten en violen zijn duidelijk hoorbaar, die zien we niet over het hoofd.
Maar om het zachte ‘ping’ van triangels te horen, moeten we heel aandachtig luisteren.

En zo is het ook in de kerk: de dominees, ouderlingen en diakenen zijn duidelijk zichtbaar en hoorbaar. Zij zijn misschien wel de trompetten en violen.
Maar de triangel is nét zo belangrijk. De koffieschenker, de bezoekmedewerker, de kinderoppas, de ledenadministrateur, de klusjesman en de tuinman… ieder van ons heeft zijn of haar eigen bijdrage in deze gemeenschap, en we hebben elkaar allemaal nodig. De één is niet belangrijker dan de ander.
Als het gras rond de kerk tot kniehoogte komt, als er geen koffie is en de verwarming doet het niet… dan functioneert dit lichaam niet.

Mijn vraag aan jou, aan u is: kun jij je eigen ‘ping’ benoemen, en durf je die te laten horen?
En: horen we ook de unieke ‘ping’ van anderen?
Kunnen we in ieder mens ontdekken wat hij of zij te geven heeft?
Durven wij een ander nodig te hebben, afhankelijk te zijn van elkaar?

Alleen dan vormen we samen een goed functionerend lichaam.
Het lichaam van Christus, zegt Paulus.
Een gemeenschap waarin iedereen meetelt, waarin iedereen meedoet op zijn eigen manier, waarin ieder mens van unieke en onvervangbare waarde is