2017/07/23

23 juli 2017, Protestantse gemeente IJsselstein

Inleiding op de lezing
We horen zo meteen het verhaal van een verlamde man die bij Jezus wordt gebracht. Vaak wordt zo’n verhaal een genezingsverhaal of wonderverhaal genoemd. Het wonder is dan dat Jezus een zieke geneest.
Eerlijk gezegd heb ik moeite met die benaming: genezings- of wonderverhaal. Omdat dit woord al onze aandacht focust op de wonderbaarlijke genezing door Jezus. En daarmee voorbij gaat aan de enorme diepte en symboliek die in het verhaal zit. Het verhaal heeft ons véél meer te vertellen dan dat Jezus in staat was om zieken te genezen. Ik hoop straks uit te leggen wat dat ‘meer’ dan is.
Bovendien: als het verhaal alleen maar gaat over de goddelijke wonderkracht van Jezus, zou ik niet weten wat ik daar anno 2017 mee aan moet. Heel mooi dat Jezus 2000 jaar geleden zieken kon genezen, maar wat hebben wíj daaraan? Hij komt niet even langs om u of jou, of uw partner of vader of moeder of kind beter te maken. Ik vind dat eerlijk gezegd nogal lastig en pijnlijk… om Jezus’ genezende kracht te verkondigen, terwijl u ziek bent en blijft.
Het verhaal van vandaag gaat niet over zieken. Althans: niet alléén! Het gaat over ieder mens, ziek of gezond, verlamd of niet. Het gaat over jou en mij.

Lucas 5: 17-26
17 Toen hij op een dag onderricht gaf, bevonden zich onder zijn gehoor ook Farizeeën en wetgeleerden die uit allerlei plaatsen in Galilea en Judea en uit Jeruzalem waren gekomen.
De kracht van de Heer was werkzaam in hem, opdat hij zieken zou genezen.
18 Er kwamen een paar mannen met een verlamde op een draagbed,
die ze naar binnen wilden brengen om hem voor Jezus neer te leggen.
19 Maar ze zagen geen kans om door de mensenmassa heen te komen,
en dus gingen ze het dak op
en lieten hem op het bed door een opening in het tegeldak naar beneden zakken
tot vlak voor Jezus.
20 Toen hij hun geloof zag, zei hij tegen hem: ‘Uw zonden zijn u vergeven.’
21 De schriftgeleerden en de Farizeeën begonnen zich af te vragen:
Wie is die man dat hij deze godslasterlijke taal spreekt?
Wie kan zonden vergeven dan God alleen?
22 Maar Jezus begreep wat ze dachten en zei tegen hen:
‘Vanwaar toch al die bedenkingen?
23 Wat is gemakkelijker, te zeggen: “Uw zonden zijn u vergeven” of: “Sta op en loop”?
24 Ik zal u laten zien dat de Mensenzoon volmacht heeft om op aarde zonden te vergeven.’
En hij zei tegen de verlamde: ‘Ik zeg u, sta op, pak uw bed en ga naar huis.’
25 En onmiddellijk stond hij voor de ogen van alle aanwezigen op, pakte het bed waarop hij altijd had gelegen en vertrok naar huis, terwijl hij God loofde.
26 Allen stonden versteld en ze loofden God, en zeiden, vervuld van ontzag: ‘Vandaag hebben we iets ongelooflijks gezien!’

Overweging
Ik zei al dat ik moeite heb met de term ‘wonderverhaal’. Want dan staren we ons al gauw blind op de wondermacht van Jezus. Kijk eens wat Jezus doet, wat hij kan!
Maar volgens mij is het helemaal niet de bedoeling van Jezus om te laten zien wat hij allemaal kan. Het gaat hem niet om hemzelf of om zíjn wonderbare kracht. Nee het gaat Jezus om de ander. Om de mens die hij ontmoet. Om jou en mij. Om ónze kracht.

In het verhaal van vandaag staat een verlamde man centraal. Een man zónder kracht. Hij heeft geen kracht om in beweging te komen, geen kracht om op te staan. Hij kan alleen maar liggen.
Hoe dat zo gekomen is, we weten het niet. Ik vind het eigenlijk ook niet zo interessant. Veel interessanter is ónze verlamming. Want gevoelens van verlamming kennen wij evengoed. Ook al kunnen de meesten van ons lopen en bewegen, u snapt ongetwijfeld wat ik bedoel.
Vul maar in wat u, wat jou soms kan verlammen.
Ik denk bijvoorbeeld aan angst. We willen iets, maar we dúrven er niet aan te beginnen. Bang om te falen, bang voor mislukking, bang voor afwijzing.
Ook verdriet kan je verlammen. Verdriet dat zo groot is dat het niet te tillen is.
Of het verleden dat je tegenhoudt, waarin je verstrikt raakt.
Gevoelens van schuld of schaamte die je naar beneden trekken.
Zorgen over de toekomt.
Onmacht en moedeloosheid.
En wie kent niet het gevoel van verlamming als je naar het journaal kijkt of de krant leest? Beelden van een verwoest Mosul of van vluchtelingenkampen, berichten over klimaatverandering, honger en oorlog, het kan ons soms lamslaan.

Misschien herken je dat. Of ken je andere momenten van verlamming. Dingen die jou uit het veld slaan, die jou beperken en belemmeren om dóór te gaan. Momenten dat alle kracht uit je lijkt weg te stromen.

De man in het verhaal is ook zonder kracht. Verlamd. Hij ligt op een bed. Hij heeft zich letterlijk neergelegd bij zijn situatie.
Maar zijn naasten hebben dat niét! Zij geloven dat het anders kan, dat er een nieuw begin mogelijk is, een wending ten goede. Zij geloven dat een mens kan opstaan. Zij hebben zich helemaal niet neergelegd bij de verlamming van hun vriend. Integendeel: ze zijn vol hoop en vertrouwen dat er ook voor deze man toekomst is.
En in dat vertrouwen brengen ze hem bij Jezus. Maar dat gaat zomaar niet. Het is een drukte van jewelste, het huis waar Jezus is puilt uit, en waar je misschien zou verwachten dat mensen ruimte maken voor iemand in een rolstoel of op een brancard, valt dat vies tegen. Er is geen doorkomen aan.
Ook deze tegenslag zou verlammend kunnen werken. Ik zou misschien denken: ‘Ach, laten we terug naar huis gaan, hier komen we nooit doorheen.’ Of ik zou boos worden op al die mensen die niet aan de kant willen. Ik zou er letterlijk en figuurlijk geen gat meer in zien.

Maar zijn vrienden zetten door! Als er geen gat is, dan zullen ze er wel één maken! Ze laten zich niet ontmoedigen door de tegenslag, maar blijven zoeken naar een opening, een kans, een weg. Ze blijven geloven dat het kán: een ontmoeting met Jezus, een toekomst voor hun vriend.

Dát is voor mij een wonder: mensen die dóórgaan, mensen die blijven geloven dat het anders kan, mensen die ondanks tegenslag blijven vechten voor hun zaak, voor hun medemens, mensen die hoop houden, ook in het diepste donker.
Het doet me denken aan hulpverleners in oorlogsgebieden. Mensen die ondanks geweld en haat blijven geloven in (en blijven werken aan) vrede en menselijkheid.
En dichter bij huis denk ik aan mantelzorgers die net als de mannen in het verhaal kosten noch moeite sparen om een naaste te helpen.
Ik denk ook aan de man, de vrouw, die na jaren van rouwen en worstelen weer wat licht ziet, weer een gat erin ziet.
Doorzetters die zich niet laten verlammen door tegenslag en teleurstelling, maar blijven hopen en geloven dat er toekomst is. Blijven zoeken naar een opening, een kans, een gat.

Zo maken de mannen een gat in het dak en laten hun verlamde vriend zakken, vlak voor Jezus’ voeten.
“Je zonden zijn je vergeven”, is het eerste dat Jezus zegt. Dat klinkt gek, je zou bijna denken dat Jezus de verlamde man veroordeelt. Alsof hij de verlamming aan zichzelf of zijn eigen fouten te danken heeft.
Maar dat geloof ik niet. Jezus spreekt geen oordeel uit. Volgens mij wil hij precies het omgekeerde: niet deze man de grond in praten, maar hem juist doen opstaan. Niet zijn schuld inwrijven, maar juist zeggen: kom op, kom tevoorschijn, je mag er zijn! Jezus wil hem bevrijden van alle innerlijke en uiterlijke krachten die hem verlammen en beperken. Hij zet hem recht op zijn voeten.

Is dat niet een wonder?
Dat een mens opstaat uit zijn verlamming.
Dat een mens zich niet langer neerlegt bij zijn situatie, maar in beweging komt.
Dat een mens niet langer zegt ‘stil maar wacht maar’, maar op zoek gaat naar een gat, een opening, een kans…
Dat een verlamde, een lamgeslagen mens zijn kracht hervindt. In zijn benen, in zijn hoofd, in zijn hart, in zijn lijf.
Doordat hij gezien wordt, doordat hij gedragen wordt door vrienden, doordat de mensen om hem heen blijven geloven en vertrouwen, doordat iemand hem moed inspreekt, doordat Jezus hem laat voelen: “Jij mag er zijn. Wees niet bang. Ga maar op weg”.

Misschien is het tóch een wonderverhaal.
Maar dan niet zozeer vanwege de wonderkracht van Jezus, maar vanwege de opstandingskracht van mensen: de kracht van mensen om op te staan uit alles wat hen verlamt, en op zoek te gaan naar een gat, een opening, een lichtpuntje.
Jezus wist als geen ander dié kracht in mensen aan te boren.
Hij zette mensen rechtop, hij bracht hen in beweging, hij liet mensen ervaren en beseffen hoe waardevol en krachtig zij zijn. Hij schonk mensen de kracht van vertrouwen, de kracht van hoop en geloof.

Dat kon hij, zo lazen we aan het begin van het verhaal, omdat de kracht van God in hem werkzaam was.
Dankzij de kracht van God kon Jezus mensen doen opstaan. Kon Jezus wie verlamd was weer moed en vertrouwen geven.

En die Kracht van God werkt nog steeds. Die werkt ook door óns, door jou en mij.
Waar de ene mens de andere helpt om vol te houden, waar de ene mens de ander draagt, waar de een de ander doet opstaan uit angst of verdriet, waar de een de ander laat voelen: jij mag er zijn, waar de een de ander helpt een gat te maken, een weg te vinden, dáár wordt de kracht van God zichtbaar en voelbaar. Dáár gebeurt iets wonderlijks, iets om ons over te verwonderen en verheugen.

Het verhaal zet mij aan het denken over mezelf en mijn eigen leven.
Wat kan mij soms verlammen en belemmeren? En wat geeft mij dan de kracht om op te staan? Om tóch door te gaan? Zijn het vrienden die me dragen? Mensen die me helpen om een opening te vinden, een gat te maken? Zijn het woorden van vergeving en bevrijding? Is het de stem van God die fluistert: ‘ga maar, wees niet bang’?

En de tweede vraag die het verhaal mij stelt is deze: hoe kan de kracht van God door en in míj werken? Met andere woorden: hoe kan ík mensen helpen op te staan? Hoe kan ik een ander dragen, vertrouwen schenken, helpen om weer een gat erin te zien?

Waar dát gebeurt, waar mensen elkaar doen opstaan, gebeurt een wonder.
Iets om ons over te verwonderen en te verheugen.
Het is dus zeker niet zo dat wonderen alleen in Jezus’ tijd gebeurden.
Ze gebeuren ook nu. Door de kracht van God. In jou en in mij.