Een taal leren

Elke woensdagmiddag fiets ik naar Hnaa om haar te helpen de Nederlandse taal te leren.
Dat heet ‘vrijwilligerswerk’, maar benamingen als ‘horizonverbreding’, ‘ontmoeting met een prachtig mens’ en ‘veel lol’ vind ik passender.
Bovendien leer ik niet alleen haar iets, zij leert mij – onbewust – minstens zoveel.
Zo probeer ik me, sinds ik Hnaa een paar weken geleden voor het eerst ontmoette, voor te stellen hoe het is:
leven in oorlog
je land ontvluchten
van het ene azc naar het andere verhuizen
wonen in een land waar je de taal niet kent
wonen in een land waar je niemand kent
stress omdat je dochter met haar gezin nog in Irak woont
zorgen om je zoon in Duitsland

Ik probeer het me voor te stellen, maar dat lukt nauwelijks.
Tussen een voorstelling maken en zelf meemaken zit een wereld van verschil.
Soms denk ik even in haar ogen te kunnen lezen hoe het is. De spanning. Het gemis. De vermoeidheid.
Maar meestal zie ik een lach op haar gezicht.
Lachend heet ze me elke woensdag welkom.
Lachend zet ze me een heleboel lekkers voor.
Lachend probeert ze voor de derde, vijfde of tiende keer een moeilijk Nederlands woord uit te spreken.
Lachend concludeert ze dat een magnetron in het Nederlands ook gewoon een magnetron is.
Lachend oefent ze het verschil tussen de p en de b, tussen de ui en de oe, tussen de ij en de ee.
Lachend schrijft ze de telwoorden op.
En ik vraag me af hoe ik kan uitleggen dat het niet viertien maar veertien is. Niet achtig maar tachtig.
De Nederlandse taal is helemaal niet logisch.
Het leven ook niet…

Aan het einde van de middag probeert ze me een paar Arabische woorden te leren.
Het meeste ben ik alweer vergeten als ik buiten sta.
Behalve de afscheidsgroet: Ma’a salama.
Ik roep het haar een paar keer toe vanuit het trapportaal.
‘Tot volgende week!’ klinkt er terug.

error
Dit bericht is geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *